Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
20 november 2018
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur) en
Staat der Nederlanden(de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende betaalde BPM over een personenauto en kreeg een naheffingsaanslag opgelegd. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de naheffingsaanslag verminderd. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In hoger beroep stond centraal of de naheffing in strijd was met het Unierecht, met name artikel 110 VWEU Pro, dat discriminatie tussen binnenlandse en ingevoerde goederen verbiedt. Het hof oordeelde dat de naheffing niet in strijd is met het Unierecht, omdat de BPM wordt geheven bij eerste registratie en de belastinglast gelijk blijft voor binnenlandse en ingevoerde voertuigen.
Partijen kwamen overeen de naheffingsaanslag te verminderen tot €725. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn in hoger beroep met zes maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €500. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €300, lager dan de forfaitaire norm vanwege de vele soortgelijke zaken van de gemachtigde. De griffierechtvergoeding van €251 werd eveneens toegekend.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €725, immateriële schadevergoeding van €500 toegekend en proceskostenvergoeding vastgesteld op €300.