Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:961

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
14/00970
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 4 AWRArt. 64 lid 1 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing standstill-bepaling bij verlengde navorderingstermijn voor buitenlandse beleggingsrekeningen

Belanghebbende hield vanaf medio 1997 bankrekeningen aan bij banken in Zwitserland en Zuid-Afrika. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op inkomsten- en vermogensbelasting op over meerdere jaren, gebaseerd op tegoeden en inkomsten van deze rekeningen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR in strijd was met het Unierecht, met name de vrijheid van kapitaalverkeer.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de standstill-bepaling van artikel 64, lid 1, VWEU van toepassing is in dit geval, waardoor de Inspecteur gerechtigd is de verlengde navorderingstermijn toe te passen. Belanghebbende kon zich niet met succes beroepen op schending van de vrijheid van kapitaalverkeer.

De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd en het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2017 gevolgd, waarin de toepasselijkheid van de standstill-bepaling in soortgelijke omstandigheden werd bevestigd. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag met toepassing van de standstill-bepaling.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/00970
2 juni 2017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X1]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 8 januari 2014, nr. 13/00543, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. AWB LEE 11/1677) betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 december 2014 geconcludeerd tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:PHR:2014:2521).
Bij brief van 10 april 2015 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond alvorens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) antwoord zal hebben gegeven op de bij arrest van 10 april 2015 in zaak 14/00528 gestelde prejudiciële vragen.
Het HvJ heeft uitspraak gedaan op die vragen bij arrest van 15 februari 2017, X, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119 (hierna: het arrest van het HvJ van 15 februari 2017).
Belanghebbende en de Staatssecretaris zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 15 februari 2017. De Staatssecretaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft vanaf medio 1997 bankrekeningen aangehouden bij een drietal in Zwitserland gevestigde banken en bij een in Zuid-Afrika gevestigde bank.
2.1.2.
De in deze procedure bestreden navorderingsaanslag betreft tegoeden op die rekeningen en daarop genoten inkomsten. Op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen belanghebbende en de Inspecteur is bij deze navorderingsaanslag inkomsten- en vermogensbelasting over een reeks jaren nagevorderd.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of artikel 64, lid 1, VWEU, de zogenoemde standstillbepaling, kan worden ingeroepen bij de beoordeling of toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verenigbaar is met het Unierecht in een geval als het onderhavige, waarin de belanghebbende een (effecten)rekening aanhoudt bij banken in Zwitserland en Zuid-Afrika. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Belanghebbende kan zich naar ’s Hofs oordeel als gevolg daarvan niet met vrucht beroepen op schending van de vrijheid van kapitaalverkeer. Daarom is de Inspecteur volgens het Hof gerechtigd om in dit geval de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid van de AWR toe te passen.
2.3.1.
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3.2.
Uit het arrest van het HvJ van 15 februari 2017 volgt dat de zogenoemde standstillbepaling in een geval als het onderhavige van toepassing is.
2.3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt het middel.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.