Belanghebbende hield vanaf medio 1997 bankrekeningen aan bij banken in Zwitserland en Zuid-Afrika. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op inkomsten- en vermogensbelasting op over meerdere jaren, gebaseerd op tegoeden en inkomsten van deze rekeningen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR in strijd was met het Unierecht, met name de vrijheid van kapitaalverkeer.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de standstill-bepaling van artikel 64, lid 1, VWEU van toepassing is in dit geval, waardoor de Inspecteur gerechtigd is de verlengde navorderingstermijn toe te passen. Belanghebbende kon zich niet met succes beroepen op schending van de vrijheid van kapitaalverkeer.
De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd en het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2017 gevolgd, waarin de toepasselijkheid van de standstill-bepaling in soortgelijke omstandigheden werd bevestigd. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.