Uitspraak
1.Geding in cassatie
14 november 2005:
3.Slotsom
4.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of het storten van opgeschoond (asfalt)granulaat door verdachte op een perceel in Barneveld valt onder de vrijstelling van het verbod op het buiten een inrichting storten van afvalstoffen zoals opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (Bvsi).
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat verdachte een beroep toekomt op de vrijstelling omdat het granulaat als bouwstof in een werk was gebruikt. Het hof baseerde zich hierbij op het feit dat het granulaat was opgeschoond en mogelijk voldeed aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit. Echter heeft het hof nagelaten te onderzoeken of het granulaat daadwerkelijk voldeed aan de samenstellings- en immissiewaarden zoals voorgeschreven in bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat het niet is vastgesteld of het granulaat aan de wettelijke normen voldeed. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het gaat om het tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De zaak betreft een economische milieuzakenprocedure waarin het begrip afvalstof en de toepasselijkheid van vrijstellingen onder de milieuwetgeving centraal staan. De Hoge Raad benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij toepassing van vrijstellingen in milieuzaken.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug wegens onvoldoende motivering over naleving Bouwstoffenbesluit bij toepassing vrijstelling stortverbod.