Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
Na een verkeerscontrole ontstond de verdenking dat verdachte betrokken was bij overtredingen van de Wet Wapens en Munitie (WWM) en de Opiumwet. Op grond hiervan werd zijn smartphone in beslag genomen en onderzocht, waarbij gericht foto's in de fotogalerij werden bekeken. Verdachte stelde dat dit onderzoek onrechtmatig was en in strijd met artikel 8 EVRM Pro, omdat het zonder voldoende verdenking zou zijn uitgevoerd en de privacy onnodig werd geschonden.
Het hof oordeelde dat artikel 94 Sv Pro een voldoende grondslag bood voor de inbeslagname en dat het onderzoek aan de smartphone noodzakelijk en proportioneel was gezien de verdenking. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd gesteld dat beperkt onderzoek aan elektronische gegevensdragers zonder voorafgaande rechterlijke toetsing is toegestaan, mits de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt blijft.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had aangenomen en de motivering toereikend was. De resultaten van het onderzoek aan de smartphone mochten als bewijs worden gebruikt, ook voor de daaropvolgende huiszoeking waarbij wapens werden gevonden. Daarmee bleef de veroordeling van verdachte in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het onderzoek aan de smartphone en het daarop gebaseerde bewijs zijn rechtmatig.