Conclusie
eerste middelkomt ter zake van feit 1 met een drietal motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van het opzettelijk binnen Nederland brengen van cocaïne in vier pakken taartmix.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
de verbalisanten:
de verbalisanten:
rapportvan 1 oktober 2015 van
Douane Laboratorium Amsterdam,opgemaakt door hoofdscheikundige M.M. Sarneel (los opgenomen). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
de verdachte:
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt ten aanzien van feit 2 dat het hof voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het onderzoek aan de smartphone van de verdachte onrechtmatig is en de resultaten daarvan ingevolge art. 359a Sv moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering, althans dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd is.
2.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
de verbalisant:
Inbeslagname
Forensisch onderzoek Samsung smartphone:Bij een zogenaamde quickscan van de smartphone werd door een lid van de recherche, team drugsbestrijding, een videobestand aangetroffen dat het vermoeden deed rijzen dat het kinderpornografisch beeldmateriaal betrof. De veiliggestelde grafische bestanden zijn ter beoordeling overgedragen aan ons. Tijdens dit onderzoek zijn filmbestanden aangetroffen. In totaal werden door ons 2 filmbestanden gekwalificeerd.
Bijlage
rapport aangaande twee aangetroffen filmbestanden,dossierpagina 10. Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:
Duur: 00:02:49
Duur: 00:00:13
de verbalisant:
de verbalisanten:
de verdachte,afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 maart 2016. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Primair: bewijsuitsluiting
Proces-verbaal
Bewijsuitsluiting
Vormverzuim ex art. 359a Sv
Belang van het geschonden voorschrift
Ernst van het verzuim
Het nadeel van het veroorzaakte verzuim
Gevolg
Conclusie
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
NJ2017/229, m.nt. Kooijmans en 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588 heeft de Hoge Raad namelijk het volgende overwogen: [7]
AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
zonder meerkan worden gezegd dat zo een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt van aard is en niet de potentie heeft een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de verdachte te verkrijgen. Aldus acht ik het oordeel van het hof dat de algemene bevoegdheid van art. 94 Sv Pro voldoende legitimatie biedt voor het onderzoek aan de smartphone van de verdachte in de onderhavige zaak, niet zonder meer begrijpelijk. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.