Conclusie
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd”, en wegens (onder 2)
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”en
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr. Het hof heeft bovendien de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
middelklaagt over de verwerping van de verweren inzake het onderzoek aan de smartphone van de verdachte.
aangetroffen foto’s waarop cliënt te zien zou zijn met de wapens” [2] op de genoemde grond niet voor het bewijs hadden mogen worden gebezigd.
“voor inbeslagname ook vatbaar [waren] voorwerpen die niet aan de verdachte [betrokkene 1] toebehoorden”getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het staat nu niet ter discussie dat zich in deze zaak een voor inbeslagneming vereiste strafrechtelijk relevante situatie voordeed.
aanen
inhet inbeslaggenomen voorwerp. Deze onderzoeksbevoegdheid ligt besloten in de bevoegdheid tot inbeslagneming. Onderzoek aan een smartphone is daarvan zoals gezegd niet uitgezonderd. In beginsel biedt de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van opsporings-ambtenaren, neergelegd in artikel 96 Sv Pro in verbinding met artikel 94 Sv Pro, dus voldoende legitimatie. Voor zover het middel klaagt dat er geen enkele wettelijke basis meer bestond voor het onderzoek aan verdachte’s telefoon, faalt het dan ook.
“op deze telefoon onder andere chats, contacten en foto’s [staan]. Ik heb de foto’s bekeken. Dit zijn foto’s van [verdachte] zelf, diverse vrouwen, feesten, vakantie, maar ook wapens en geld”;
beperktkan worden beschouwd, c.q. onder welke condities dit onderzoek dermate
verstrekkendis dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de smartphone. Zoals hierboven reeds opgemerkt, heeft de Hoge Raad dit onderscheid als volgt geïllustreerd.
Beperktis het onderzoek indien dit slechts heeft bestaan uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de smartphone opgeslagen of beschikbare gegevens.
Verstrekkendis het onderzoek van alle in de smartphone opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen. Tussen deze twee uitersten ligt een palet aan mogelijkheden. Het is dus de vraag waar de grens ligt.
verstrekkend’ onderzoek is ten minste de voorafgaande toestemming van de officier van justitie c.q. de rechter-commissaris vereist. Het lijkt mij persoonlijk géén overspannen eis dat ingeval deskundigen van de digitale recherche bij dit onderzoek worden betrokken c.q. ingeval technische hulpmiddelen worden aangewend sowieso de voorafgaande toestemming van (de officier van justitie of) de rechter-commissaris wordt gevraagd. Dat schept duidelijkheid en een (rechterlijke) waarborg
vooraf. [17]
achterafbeoordelen of het onderzoek rechtmatig heeft plaatsgehad. In cassatie rijst vervolgens de vraag of dit oordeel toereikend is gemotiveerd.
aannemelijk geachte” mededelingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting is deze werkwijze standaard voor hoogwaardige digitale recherche, en wordt zij toegepast teneinde de authenticiteit en validiteit van de elektronische gegevens te garanderen. [20] Het digitale onderzoek ‘aan de smartphone’ (althans de SD-kaart) vindt vervolgens plaats op die aldus veiliggestelde elektronische gegevens.
foto’s van [verdachte] zelf, diverse vrouwen, feesten, vakantie, maar ook wapens en geld.” In theorie kan dat alles op twee foto’s, maar deze omschrijving wekt bij mij de indruk dat is kennisgenomen van een betrekkelijk goed gevuld fotoalbum. Naslag van het proces-verbaal waarnaar het hof verwijst, bevestigt die indruk.
niet meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte is gemaakt” niet zonder meer begrijpelijk.