Conclusie
1.[verweerster 1] ,
[verweerder 2],
zaak(een voor menselijke beheersing stoffelijk object; art. 3:2 BW Pro) in de zin van art. 7:17 BW Pro kan worden beschouwd. De vordering van WEA tot schadevergoeding op grond van toerekenbaar tekortschieten en onrechtmatige daad wordt dan ook beheerst door de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:310 BW Pro. In aanmerking nemende dat de eerste verdenking tegen [verweerder] dateert van na de verhuizing van het kantoor van [verweerder] naar dat van WEA eind december 2006, [verweerder] in augustus/september 2007 op non-actief is gesteld (volgens [verweerder] ), althans zich niet meer met het [verweerder] - personeel mocht bemoeien (volgens WEA), het rapport van Deloitte dateert van augustus 2009 en de inleidende dagvaarding van januari 2012, is verjaring niet aan de orde en is het beroep op schending van de klachtplicht onvoldoende toegelicht.
Afboeking of creditfactuuren reacties van de brancheorganisatie SRA en de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. Zij heeft daaraan nog toegevoegd dat wat haar betreft partijen hebben bedoeld af te rekenen over wat daadwerkelijk bij het kantoor van [verweerder] binnenkwam.
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 2.8 van het eindarrest (hiervoor geciteerd in 1.8), waarin is geoordeeld dat de vorderingen van WEA die zien op de overnamesom en de managementvergoeding worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan hoeveel uren [verweerder] precies als eigen uren heeft geschreven, terwijl die in feite door zijn personeel zijn gewerkt.
onder 1dat het hof heeft miskend dat als de schadeomvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, deze op grond van art. 6:97 BW Pro moet worden geschat. Althans, zo vervolgt die klacht
onder 2,zijn hier te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van WEA door de vorderingen af te wijzen omdat het aantal uren niet precies is komen vast te staan, te meer nu WEA er op heeft gewezen dat zij moeite heeft om het aantal uren bloot te leggen omdat zij zelf niet bij de handelingen betrokken was, alleen [verweerder] zelf duidelijkheid zou kunnen scheppen en de bewuste feiten zich in het domein van [verweerder] bevinden [2] .
Chetaibi/Saki [7] is uiteengezet hoe hier te werk gegaan dient te worden, in de parafrase van Tjong Tjin Tai [8] :
dater schade is geleden [vtnt. 133: Dat wil zeggen: feiten zijn komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid (HR 28 juni 1991, NJ 1991/746, r.o. 3.3.)], niet mag afzien van een schatting van de schade (of deze op nihil begroten) alleen maar omdat hij niet alle gegevens heeft die hij idealiter zou wensen [vtnt. 134: Bijv. HR 28 juni 1991, NJ 1991/746, r.o. 3.3, HR (onteigening) 9 november 1994, NJ 1996/175 (Tazim/gem. ’s-Gravenhage), r.o. 3.6, HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7053, NJ 2004/348, r.o. 4.1.2, HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, NJ 2005/371 (Van de Ven/Van de Ven), r.o. 3.5, HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7539, NJ 2009/598, r.o. 3.3, HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211, NJ 2011/601.].
Het gaat dus niet alleen om een bevoegdheid maar ook om een verplichting om indien nodig te schatten. Dit alles neemt niet weg dat het wenselijk is dat de rechter een zo goed mogelijke schatting kan maken [vtnt. 135: Evenzo terecht A. Hammerstein, ‘De rechter en toekomstschade’, in: F.T. Oldenhuis (red.),
Toekomstschade, Den Haag: BJu 2008, p. 25-35. Hij gaat ook in op aspecten als bewijslastverdeling, stelplicht en betwisting.]. Partijen kunnen hierbij behulpzaam zijn door het benodigde materiaal aan te dragen. Een gebrek aan medewerking kan een partij worden tegengeworpen [vtnt. 136: Vgl. art. 22 Rv Pro.], evenals andere processuele omstandigheden [vtnt. 137: Bij de schatting kan de rechter in de beoordeling betrekken dat de berekening geflatteerd is wegens de lange duur van de procedure die aan eiser te wijten is: HR 26 juni 1998, NJ 1998/590 (Van Tuijn/Vara).].” (Onderstreping A-G)
Chetaibi/Saki(concreet begroten, althans naar de schadestaatprocedure verwijzen, althans deze schade schatten). Het hof komt volgens mij ook niet terug op de (naar wil voorkomen:) bindende eindbeslissing uit rov. 3.13 van het tussenarrest dat vaststaat dat [verweerder] heeft gewanpresteerd onder art. 9 van Pro de overnameovereenkomst door eigen uren te schrijven die in feite door het personeel zijn gemaakt. Ik citeer daartoe rov. 2.3 en 2.4 van het eindarrest, waaruit blijkt dat [verweerder] uitdrukkelijk heeft verzocht daarop terug te komen, hetgeen door het hof gemotiveerd wordt afgewezen:
In het tussenarrest heeft het hof ten aanzien van vijf codes (rov. 3.11) vastgesteld dat [verweerder] niet voldoende heeft betwist dat hij daaronder geschreven uren van het personeel aan zich zelf heeft toegerekend (rov. 3.13). [verweerder] heeft in zijn akte van 4 februari 2016 verzocht dat het hof terugkomt op die vaststelling.Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft hij in die akte verwezen naar zijn agenda’s 2006 en 2007. Ter comparitie heeft hij ter nadere onderbouwing gesteld dat het hof zijn verweer in de memorie van antwoord onder 2.10 e.v. niet heeft meegewogen. Tot slot heeft hij in zijn laatste akte van 14 juni 2016 onder 9 betoogd dat WEA nooit heeft gesteld dat hij uren die hij doorstreepte in de agenda’s van het personeel als eigen uren heeft geregistreerd.
De aangevallen vaststellingheeft geen betrekking op uren die [verweerder] in de agenda’s van het personeel heeft doorgestreept. De vaststelling
is het gevolg van enerzijds de stelling van WEA dat [verweerder] uren onder de codes 351 (jaarrekening), 424, 425 (uitstelregeling), 352 (publicatiestukken) en 450 (jaarafsluiting salarissen) heeft geschreven, terwijl de betrokken werkzaamheden door het personeel werden uitgevoerd, en anderzijds de daarop gevolgde reactie van [verweerder] - zonder betwisting dat de werkzaamheden door het personeel werden uitgevoerd - dat de werkzaamheden forfaitair aan de klant in rekening werden gebracht en al sinds jaar en dag werden gebruikt voor de bepaling van zijn persoonlijke omzet (zie rov. 3.12 van het tussenarrest). Het hof ziet dan ook geen grond om het verzoek in te willigen. Overigens - maar dit ter zijde - heeft WEA al in de inleidende dagvaarding (onder 30) gesteld dat [verweerder] de uren die hij heeft doorgestreept in de agenda’s van het personeel als eigen uren heeft geregistreerd.” (Ondertrepingen A-G)
daten in welke mate de overnamesom en managementvergoeding
op een onjuiste grondslagzijn gebaseerd. Evenwel heeft ook dan te gelden dat het hof alleen vaststelt dat het juiste
aantal ten onrechte geschreven uren van [verweerder](door toedoen van WEA) niet kan worden vastgesteld, hetgeen neerkomt op: er zijn ontbrekende, maar wel beschikbare feiten en uit rov. 3.13 van het tussenarrest (gelezen in samenhang met rov. 2.3 en 2.4 van het eindarrest) volgt dat aannemelijk moet worden geacht dat er schade is geleden op dit punt (ten onrechte door [verweerder] geschreven uren die door personeel zijn gewerkt).
Chetaibi/Saki: gegeven die aannemelijkheid van schade, kan vervolgens niet worden afgewezen
alleen maaromdat de rechter niet over alle gegevens beschikt die deze idealiter zou wensen. Het hof had hier niet alleen een schatting kunnen, maar ook moeten maken.
onderdeel Ia onder 2dat te hoge eisen zijn gesteld aan de stelplicht van WEA, omdat zich hier een geval voordoet waarin de betrokken procespartij (WEA) niet bij de voor haar stellingen relevante informatie kan komen of de feiten zich bevinden in het domein van de wederpartij ( [verweerder] c.s.), lijkt mij niet opgaan. Het hof beoordeelt de desgevraagd door WEA opgestelde urenlijst als (volstrekt) onaannemelijk. Het hof heeft WEA er niet op afgerekend dat zij onvoldoende tot in detail heeft blootgelegd hoeveel uren [verweerder] ten onrechte heeft opgevoerd, maar geoordeeld dat wát zij heeft gesteld ongeloofwaardig voorkomt. Er doet zich hier geen situatie voor waarin het gaat om het in kaart brengen van omstandigheden van subjectieve aard die zich geheel in de sfeer van de wederpartij afspelen [10] , zoals het subonderdeel aandraagt. Het gaat om objectieve gegevens (wie heeft welke uren gemaakt) opgenomen in de administratie van WEA, waarbij bovendien personeel van WEA betrokken was.
onderdeel Ibgeen nadere bespreking. De klacht is overigens dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vordering tot schadevergoeding geheel wordt afgewezen, nu het hof de schade had moeten schatten dan wel naar billijkheid had moeten begroten. Ik merk terzijde op dat dat laatste onjuist is (vermogensschade wordt niet naar billijkheid begroot, maar concreet, abstract of geschat; immateriële schade kan wel naar billijkheid worden begroot [11] ) en verder lijkt mij dit een verkapte rechtsklacht die op hetzelfde neerkomt als die behandeld onder Ia sub 1.
tweede onderdeelricht zich tegen rov. 2.17 van het eindarrest (vgl. hiervoor in 1.8), waarin het hof heeft beslist dat de vordering van WEA ten aanzien van de afboekingen strandt op de uitleg van het begrip “afboekingen” uit art. 14 van Pro de overeenkomst.
niet in rekening worden gebracht, althans gevallen waarin de kostprijs (op basis van uren van de medewerker vermenigvuldigd met diens tarief) de opbrengst overschrijdt [12] (vgl. tussenarrest 3.22 en eindarrest rov. 2.13-2.14). Volgens [verweerder] c.s. ziet de term afboeking op het geval dat een bedrag
dat in rekening is gebrachtniet wordt voldaan en wordt afgeboekt, al dan niet gepaard met een creditfactuur (rov. 3.21-3.22, tussenarrest). In rov. 3.23 van het tussenarrest constateerde het hof dat WEA de bewijslast draagt van haar uitleg van deze term en dat [verweerder] verweer (weergegeven in rov. 3.22 van het tussenarrest en nader in 2.15 bij eindarrest) potentieel aan (gehele) toewijzing van WEA’s vordering op dit punt in de weg staat, zodat de comparitie ook gebruikt zal worden om de door [verweerder] opgeworpen kwesties te bespreken. Het hof heeft bij eindarrest met vooropstelling van de Haviltex-maatstaf (rov. 2.16) vervolgens feitelijk geoordeeld (rov. 2.17) dat er voor beide uiteenlopende taalkundige uitleg van het begrip “afboekingen” van partijen iets te zeggen valt, dat de visies van de door WEA ingeroepen brancheorganisaties niet eenduidig op de juistheid van WEA’s uitleg wijzen, WEA de aspecten uit [verweerder] verweer dat zij bekend was met het fenomeen vaste prijsafspraken en niet heeft toegestaan relaties met bepaalde klanten te beëindigen of een hogere vast prijs in rekening te brengen niet heeft weersproken, zodat [verweerder] uitleg redelijkerwijs verdedigbaar is; althans over WEA’s uitleg daarmee voldoende twijfel is gezaaid, hetgeen vanwege de bewijslastverdeling op dit punt voor risico van WEA komt. Volgt afwijzing van deze post op grond van alleen al uitleg van de contractuele term “afboekingen”.
onderdeel IIa [13] heeft het hof miskend dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. WEA heeft niet alleen op de taalkundige betekenis van deze contractuele term gewezen en de daaraan door brancheorganisaties toegekende betekenis, maar ook op andere omstandigheden. Ten onrechte heeft het hof geen aandacht besteed aan de stellingen van WEA dat:
ten overvloedetoevoegt dat een bepaalde andere uitleg hem aannemelijker voorkomt.
doorslaggevendebetekenis). Voor het overige ketst deze klacht af op hetgeen is besproken bij de behandeling van onderdeel IIb (vgl. 2.18 hiervoor).
nietziet op de agenda’s van [betrokkene 7] en [betrokkene 8] uit 2006 en [betrokkene 6] uit 2007, onvoldoende betrouwbaar zou zijn. Die opgave is namelijk mede gebaseerd op verklaringen van de betrokken werknemers (waarvan uitdrukkelijk bewijs is aangeboden), terwijl bovendien is aangeboden dat [verweerder] de agenda’s kon komen inzien, heeft ook Deloitte die agenda’s onderzocht en heeft WEA moeite om (tot in detail) bloot te leggen hoeveel uren [verweerder] ten onrechte heeft opgevoerd, aangezien zij zelf niet direct bij de betreffende handelingen betrokken was en alleen [verweerder] zelf hierover helderheid kan verschaffen, terwijl de overige agenda’s nog vallen te raadplegen en te koppelen aan het registratiesysteem Account View.
pars pro toto-oordeel: het oordeel is onbegrijpelijk voor wat betreft de
overige twee betrokkenengelet op bijkomende omstandigheden (de overige agenda’s zijn door Deloitte onderzocht [17] , ook [verweerder] heeft deze agenda’s mogen inzien (akte 5 april 2016 onder 2.3) en er is (herhaaldelijk) bewijs aangeboden).
het aantaluren dat was “afgepakt”, was het bewijsaanbod hier kennelijk in de ogen van het hof niet relevant. Het hof kon hieraan dus op de in rov. 2.18 gedane wijze (als ik het wel heb: in cassatie onbestreden) voorbij gaan.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
onder ais dat de vordering van WEA wordt beheerst door de verjaringstermijn van twee jaar uit art. 7:23 lid 2 BW Pro en niet door art. 3:310 BW Pro (met een verjaringstermijn van vijf jaar). Voor toepassing van art. 7:23 lid 2 BW Pro is niet vereist dat de overeenkomst waarop de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd de verkoop van een zaak betreft in de zin van art. 3:2 BW Pro. Voldoende is dat die vordering is gebaseerd op de stelling dat het afgeleverde niet beantwoordt aan de overeenkomst in de zin van art. 7:17 lid 1 BW Pro.
De Beeldbrigade [21] is uitgemaakt dat ook bij een overeenkomst tot het aanschaffen van software (op een gegevensdrager of via een download) de kooptitel toepassing vindt. Ook de bij een overname betrokken “goodwill” kan onder het bereik van de kooptitel vallen, zo volgt uit
Holle Bolle Gijs/ [...] [22] .
NJ2006/272 (
Inno/Sluis) en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733,
NJ2008/552 (
Ploum/Smeets)). Met deze uitleg van art. 7:23 lid 2 BW Pro strookt dat het onbenut laten verstrijken van de in art. 7:23 lid 1 BW Pro bedoelde termijn ook in de weg staat aan een verweer of vordering op grond van dwaling, gebaseerd op feiten die eveneens de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt (zie HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617,
NJ2008/606 (
Pouw/Visser)).
onder bmet de rechtsklacht dat het gegeven oordeel onjuist is voor zover is gemeend dat de verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW Pro niet van toepassing is omdat de vordering van WEA ook is gebaseerd op art. 6:74 BW Pro, art. 6:162 BW Pro en art. 6:212 BW Pro. Art. 7:23 lid 2 BW Pro is van toepassing op iedere rechtsvordering en ieder verweer dat
feitelijkgegrond is op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst.