Uitspraak
gevestigd te Rijswijk,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de vennootschap Mayia Travel cassatieberoep ingesteld tegen meerdere arresten van het gerechtshof Amsterdam, waarin het ging om procesrechtelijke kwesties omtrent het verlenen van een akte niet-dienen en het al dan niet verlenen van een nadere termijn voor het alsnog nemen van de akte.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten van de lagere instanties voor het gedingverloop en behandelt het cassatieberoep op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal, die strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van Mayia Travel voor het cassatieberoep tegen het tussenarrest en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat gezien artikel 81 lid 1 RO Pro geen nadere motivering nodig is, omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt Mayia Travel in de kosten van het cassatiegeding, waarbij een specificatie van verschotten en salaris wordt gegeven.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Polak, Sieburgh en in het openbaar uitgesproken door Tanja-van den Broek.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Mayia Travel wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.