Conclusie
1.Partijaanduiding en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Feiten [2]
In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van Inbev afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1 bevat een samenvatting van de bestreden overwegingen van (de rolraadsheer van) het hof. De onderdelen 2, 3 en 4 zijn gericht tegen rov. 3.1 t/m 3.4 van de rolbeschikking en rov. 2.1 t/m 2.4 van het eindarrest.
Op grond van artikel 2.18 LPR wordt op verzoek van partijen slechts uitstel verleend in de volgende gevallen: (a) op eenstemmig verzoek van partijen, of (b) op verzoek van een of meer partijen op grond van klemmende redenen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10. In artikel 1.10 LPR is bepaald dat een gemotiveerd verzoek van een partij om uitstel op grond van klemmende redenen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier dagen voor de afloop van de desbetreffende termijn, wordt ingediend. In dit artikel is tevens opgenomen dat, indien een partij door overmacht niet in staat is het verzoek in te dienen binnen de termijn van vier dagen, zij het hof daarvan bij eerste gelegenheid bericht geeft.
11.8.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijdingAls op de laatste dag van een geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan de indiener toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.” [34]
In
subonderdeel 2.3wordt daaraan de klacht toegevoegd dat voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat op een verzoek om/incidentele vordering tot aanhouding nooit eerst en vooraf hoeft te worden beslist, het hof eveneens is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dit geldt volgens het subonderdeel temeer bij een verzoek/incidentele vordering tot aanhouding als bedoeld in art. 392 lid 6 Rv Pro, omdat dat verzoek/die vordering ertoe strekt dat met de prejudiciële vragen in de processtukken en/of de beslissing rekening kan worden gehouden. Zou daarop nooit eerst en vooraf moeten worden beslist, dan verliest het instrument in belangrijke mate die functie, aldus het subonderdeel.
Voor de daarbij in acht te nemen maatstaf en de toetsing verwijzen beide subonderdelen naar het hiervoor onder 3.11geciteerde arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012.
Hoewel het toewijzen van het verzoek zou resulteren in uitstel van het nemen van een memorie van grieven, is het onderhavige verzoek in de incidentele memorie niet op een lijn te stellen met een uitstelverzoek als bedoeld in genoemde bepalingen van het LPR.
moetworden beslist, op grond van art. 209 Rv Pro moeten beoordelen of de zaak
meebrengtdat op de incidentele vordering eerst en vooraf moet worden beslist. Daarbij had de rolraadsheer de in rov. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012 geformuleerde maatstaf moeten toepassen en dus moeten nagaan, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding. [35] Een argument om vooraf op de incidentele memorie te beslissen, kan worden gevonden in het speciale verzoek van Inbev om in de nog te nemen memorie van grieven haar grieven aan te passen aan de beantwoording van de prejudiciële vragen .
subonderdeel 2.4miskent het hof, samengevat, verder dan wel in ieder geval dat voor een incidentele vordering tot aanhouding op grond van art. 392 lid 6 Rv Pro niet als vereiste geldt dat sprake moet zijn van klemmende redenen in de zin van artikel 2.18 in verbinding met artikel 1.10 LPR en dat er een onderscheid bestaat tussen een incidentele vordering tot aanhouding van de zaak op de voet van art. 392 lid 6 Rv Pro en een verzoek om uitstel voor het nemen van een memorie op grond van artikel 2.18 LPR.
Subonderdeel 2.5klaagt, samengevat, dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd voor zover het hof de incidentele memorie zo heeft uitgelegd dat Inbev alleen maar een uitstelverzoek in de zin van artikel 2.18 LPR heeft gedaan.
In geval van een tweede zelfstandig dragende grond kan het cassatieberoep alleen tot vernietiging en verwijzing leiden als met succes over beide gronden wordt geklaagd.
onderdeel 4die zijn gericht tegen het oordeel van het hof in de tweede en derde volzin van genoemde rechtsoverweging.
Volgens
subonderdeel 4.2heeft het hof in ieder geval miskend dat de rechter de procespartij of haar advocaat nog op de voet van de goede procesorde, althans het beginsel van hoor en wederhoor, in de gelegenheid moet stellen het bestaan en de oorzaak van de internetstoring toe te lichten en/of daarvan bewijs in de procedure in te brengen. Zo’n verplichting geldt, aldus het subonderdeel samengevat, in ieder geval in een situatie als de onderhavige, waarin (i) de oorzaak van een internetstoring in de regel niet direct op het moment dat zij zich voordoet kan worden achterhaald, (ii) het verwerpen van het beroep op de internetstoring tot de vergaande consequentie van niet-ontvankelijkheid van Inbev leidt, (iii) de niet-ontvankelijkheid een aanzienlijke financiële consequentie voor Inbev heeft, (iv) de te late indiening van de incidentele memorie eventueel een beroepsfout van de advocaat oplevert en (v) die beroepsfout kan leiden tot diens (tuchtrechtelijke) aansprakelijkheid. In het licht van deze omstandigheden is in ieder geval sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, aldus het subonderdeel.
elektronisch wordt geprocedeerd, een internetstoring bij de provider van (de advocaat van) een partij op de laatste dag van een lopende termijn in beginsel niet is toe te rekenen aan de partij die een stuk wil indienen (een ‘verschoonbare termijnoverschrijding’). Wel is het aan de (advocaat van de) partij die het stuk te laat heeft ingediend om te bewijzen dat daadwerkelijk sprake was van een internetstoring die niet aan hem is toe te rekenen. Daarbij heeft te gelden dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden. [36] Bedoeld bewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd door het overleggen van een vermelding van de storing op de website van de provider, of op de website www.allestoringen.nl.
(…).”