Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 september 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 18 september 2018 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betrof een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die was veroordeeld voor gewoontewitwassen.
Het Hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 211.396,65, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling, waarbij posten voor huurbetalingen en levensonderhoud waren uitgesloten. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd in hoeverre deze schatting gerelateerd was aan het bewezen verklaarde witwassen dan wel aan soortgelijke strafbare feiten.
De Hoge Raad herhaalde relevante jurisprudentie over de toepassing van art. 36e Sr (oud) en benadrukte dat het Hof niet had voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van lid 3 en onvoldoende had toegelicht de relatie met de strafbare feiten bij toepassing van lid 2. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.