Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
van rechtswegeeen gemeenschap van goederen kan ontstaan [13] . Uit een latere uitspraak [14] maakt hij op dat het wel mogelijk is dat uit gezamenlijke investeringen door ongehuwd samenwonenden in roerende of onroerende zaken wordt afgeleid dat de partijen een (stilzwijgende) overeenkomst zijn aangegaan met betrekking tot die zaken,
die inhoudt dat bij verbreking van de samenwoning de waarde daarvan tussen hen zal worden verrekend(blz. 328).
Voorts is o.i. niet vereist (…) dat tussen partijen een al dan niet stilzwijgende afspraak over het ontstaan van een vergoedingsrecht kan worden vastgesteld, aangezien het ongehuwd samenleven als zodanig daarvoor de grondslag vormt. (…)De vergoedingsrechten zijn te beschouwen als verbintenissen waarvan het ontstaan in de zin van art. 6:1 BW Pro voortvloeit uit de wet, nu deze vergoedingsrechten weliswaar niet rechtstreeks op enig wetsartikel steunen, maar wel passen in het stelsel van de wet en aansluiten bij de wél in de wet geregelde gevallen. (…) In de lagere rechtspraak vinden vergoedingsrechten ongehuwde samenlevers in toenemende mate erkenning.”
à fonds perduter beschikking zou hebben gesteld. De verbouwing leidde volgens de man niet tot een vermeerdering van de waarde in het economisch verkeer van deze woning, dus ook niet tot vermeerdering van zijn vermogen. Volgens de man is geen sprake van een investering, maar van een desinvestering (hij bedoelt waarschijnlijk: een consumptieve besteding van het geld). Het feit dat de man financieel niet in staat was een verbouwing van circa € 80.000,- te betalen, staat als zodanig tussen partijen vast [20] . De man beschouwt het als in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat hij nu alsnog de kosten van de verbouwing zou moeten dragen.
Onderdeel 1.1houdt in dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden, art. 24 Rv Pro heeft geschonden en/of de 'negatieve zijde' van de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend door – buiten de grieven om – in rov. 5 en 11 te overwegen dat boek 3 titel 7 BW
nietop de rechtsbetrekking tussen partijen van toepassing is en door te oordelen dat voor de vrouw geen vergoedingsrecht is ontstaan. Ter toelichting voert de vrouw aan dat de man in hoger beroep niet met een grief heeft bestreden dat boek 3 titel 7 BW van toepassing is, dat op grond van art. 3:166 lid 3 BW Pro de rechtsbetrekking wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid en dat dit laatste meebrengt dat vergoedingsrechten kunnen ontstaan en dat de financiering door de vrouw van de verbouwing door de man aan haar moet worden vergoed.
Onderdeel 1.2sluit hierbij aan met een motiveringsklacht: het hof heeft een onbegrijpelijke, in elk geval te ruime, uitleg gegeven aan de grieven van de man, door ervan uit te gaan dat, gezien ‘de onderlinge samenhang van de grieven van de man' [21] , de man van mening is ‘dat er geen rechtens relevante grondslag is op basis waarvan hij aan de vrouw ter zake van de kosten van de verbouwing enig bedrag verschuldigd is'.
nietbehoeft bij te dragen aan de kosten van de verbouwing. De man heeft in hoger beroep wel degelijk de gevolgtrekking bestreden die de rechtbank hieraan had verbonden, namelijk dat de vrouw jegens hem aanspraak heeft op vergoeding van het door haar ten behoeve van de verbouwing van de woning van de man ter beschikking gestelde (nominale) bedrag. In die zin heeft ook de vrouw zelf de eerste grief van de man opgevat [25] . In zijn samenvatting van de grieven kon het hof dan ook ervan uitgaan dat de man in hoger beroep het standpunt innam ‘dat er geen rechtens relevante grondslag is op basis waarvan hij aan de vrouw ter zake van de kosten van de verbouwing enig bedrag verschuldigd is'. De onderdelen 1.1 en 1.2 falen.
onderdeel 1.3klaagt de vrouw dat het oordeel in rov. 5 en rov. 11, dat boek 3 titel 7 BW
nietvan toepassing is op de onderhavige rechtsbetrekking, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Hetzelfde geldt volgens de vrouw voor het oordeel van het hof dat ten aanzien van de (uitsluitend aan de man in eigendom toebehorende) woning tussen partijen geen gemeenschap bestaat en dat op basis van boek 3 titel 7 BW jegens de man geen vergoedingsrecht voor de vrouw is ontstaan. Ter toelichting op deze klachten stelt de vrouw dat de rechtsbetrekking van partijen (mede) wordt beheerst door de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid, als bedoeld in art. 3:166 lid 3 en Pro art. 6:2 BW Pro. Voorts stelt de vrouw dat een gemeenschap in de zin van art. 3:166 lid 1 BW Pro kan ontstaan ter zake van vermogensbestanddelen zoals vorderingsrechten, verband houdend met een aan de ene partner (de man) in eigendom toebehorend goed waarin de andere partner (de vrouw) uit eigen middelen heeft geïnvesteerd. Het hof zou dit hebben miskend.
aanvullendewerking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248, eerste lid, BW).
uit de wet. Weliswaar geldt art. 1:87 BW Pro voor echtgenoten en steunen vergoedingsrechten voor samenwonenden zonder geregistreerd partnerschap niet rechtstreeks op enig wetsartikel, maar zulke vergoedingsrechten zouden wel kunnen passen in het stelsel van de wet en kunnen aansluiten bij de wél in de wet geregelde gevallen. In de rechtsopvatting van Kolkman en Salomons is niet een overeenkomst nodig als basis voor het vergoedingsrecht, laat staan dat daarvoor een goederenrechtelijke gemeenschap als bedoeld in titel 7 van boek 3 BW nodig zou zijn.
rechtsbetrekkingwordt aangenomen tussen twee personen die ervoor gekozen hebben duurzaam met elkaar samen te leven als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren [29] . Aan de hand van de redelijkheid en billijkheid zou dan kunnen worden bepaald (i) of er binnen die rechtsbetrekking een reden is om een vergoedingsrecht of recht op verrekening aan te nemen en (ii) zo ja, tot welk bedrag. In rov. 12 heeft het hof de deur helemaal dicht gehouden na zijn constatering dat voor ongehuwd samenwonenden slechts het algemene verbintenissenrecht geldt. Daarmee zouden ongehuwd samenwonenden zijn aangewezen op vorderingen uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Het komt mij voor, dat die beslissing in haar algemeenheid te streng is voor een modern relatievermogensrecht. Het is veelal juist de lotsverbondenheid die bewerkstelligt dat een levensgezel gelden aan zijn of haar partner ter beschikking stelt zonder een overeenkomst van geldlening te sluiten en zonder een vergoedingsrecht te bedingen dan wel verrekening bij onverhoopte beëindiging van de relatie te bedingen. Bij aanvaarding van deze tussenoplossing kan de bestreden beslissing niet in stand blijven.
onderdeel 2.1klaagt de vrouw dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 6:212 BW Pro. Volgens de uitwerking van deze klacht brachten de hierna te noemen feiten en omstandigheden reeds mee dat sprake is van een 'verrijking' van de man. Volgens de toelichting is de verrijking gelegen in door de man bespaarde kosten. Tegenover die verrijking staat een verarming van de vrouw doordat een bedrag, gelijk aan de verbouwingskosten, vanuit haar privévermogen is toegevoegd aan het vermogen van de man. Het middelonderdeel noemt de volgende omstandigheden:
nietaan haar vordering ten grondslag gelegd dat sprake zou zijn van een verrijking van de man doordat hij verbouwingskosten moest maken en deze uitgaaf hem bespaard is gebleven doordat de vrouw die kosten vanuit haar privévermogen heeft betaald. De enkele stelling, in een tussenzin, dat de (door haar gefinancierde) verbouwing zowel een verbetering als een uitbreiding van de woning betrof [34] acht ik niet voldoende om te kunnen spreken van een ongerechtvaardigde verrijking van de man als grondslag van de vordering van de vrouw.
verbeteringvan de woning. Dit volgt ook niet uit overweging 4.11 van het vonnis van de rechtbank. Daar heeft de rechtbank geoordeeld dat de man onvoldoende heeft betwist dat dit bedrag is aangewend voor
de verbouwingvan zijn woning. Dat wil niet zeggen dat de man niet zou hebben betwist dat deze verbouwing heeft bijgedragen tot een
verbeteringvan zijn woning (waardoor de waarde van de woning toeneemt). Ten tweede omdat de (overige) in onderdeel 2.1 aangevoerde feiten en omstandigheden niet meebrengen dat het hof had moeten aannemen dat sprake is van verbouwingskosten die de man zich heeft bespaard en dat de man daardoor is verrijkt. De klacht mist feitelijke grondslag. De rechtsklacht van onderdeel 2.2 bouwt voort op onderdeel 2.1 en faalt om dezelfde reden.