Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en een gevoerd verweer
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
Op 25 april 2016 probeerde verdachte in een snackbar in Rotterdam herhaaldelijk de kassalade te openen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, maar slaagde daarin niet. Tevens bedreigde hij een medewerkster met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dat hij had doorgeladen en op haar richtte, terwijl hij meerdere keren de trekker overhaalde en bedreigende woorden uitsprak.
De verdediging voerde aan dat het gedrag van verdachte slechts baldadigheid en een grap betrof, zonder opzet tot diefstal of bedreiging. Het hof stelde echter vast dat de gedragingen van verdachte voldoende waren om het opzet en de wederrechtelijkheid te bewijzen, mede gelet op de camerabeelden, verklaringen van getuigen en de medewerkster die aangaf bang te zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaring met voldoende motivering heeft vastgesteld en dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het opwekken van vrees voor het leven van de medewerkster. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling blijft staan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor poging tot diefstal en bedreiging met een nepwapen.