Conclusie
eerste middelklaagt dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] in strijd is met het recht op het horen van getuigen à décharge zoals dat uit art. 6 EVRM Pro voortvloeit en dat deze beslissing onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
tweede middelheb ik – zij het met enige moeite – zes klachten kunnen ontwaren tegen de bewezenverklaring en de verwerping van door de verdediging gevoerde (bewijs)verweren.
enkele feit, dat de verdachte verschillende adviseurs in zowel Nederland als Liechtenstein heeft geraadpleegd, heeft afgeleid dat verdachte zelf het initiatief heeft genomen om een constructie op te zetten via een belastingparadijs en zijn adviseurs ogenschijnlijk bewust niet volledig heeft geïnformeerd over zijn bedoelingen en ideeën. Ook de overige overwegingen van het hof met betrekking tot het opzet van de verdachte liggen aan het oordeel ten grondslag dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte uitsluitend zou hebben gehandeld op basis van door hem bij adviseurs ingewonnen fiscaal advies.
derde middelklaagt dat het hof enkel heeft overwogen dat de gedragingen van de verdachte in zijn algemeenheid geschikt zijn om de schatkist te benadelen en niet heeft gereageerd op de door de verdediging gevoerde verweren dat niet aan het strekkingsvereiste is voldaan, zodat de bewezenverklaring, althans de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat niet aan het strekkingvereiste is voldaan, onvoldoende met redenen is omkleed.
vierde middelwordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.