Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Slotsom
6.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 13 november 2018 uitspraak gedaan over een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2014. De aanvrager was veroordeeld voor het als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland verblijven, op grond van artikel 197 Sr Pro. De aanvraag tot herziening betrof de stelling dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een licht inreisverbod gold, waarop artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing was.
De bestuursrechter had geoordeeld dat het wijzigingsbesluit van 3 oktober 2017 met terugwerkende kracht een licht inreisverbod van twee jaar vanaf 22 mei 2012 had ingesteld. Dit betekende dat het vereiste van kennis of ernstige reden tot vermoeden van een inreisverbod met toepassing van artikel 66a.7 Vw niet was vervuld. De Hoge Raad achtte dit een nieuw gegeven in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv, dat tot herziening kan leiden.
Op basis hiervan verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing over de feiten die betrekking hebben op het verblijf als ongewenst vreemdeling. De Hoge Raad beval tevens de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het eerdere arrest voor zover het de betreffende feiten betreft.
De herziening betreft uitsluitend de bewezenverklaarde feiten onder de genoemde parketnummers en niet de overige veroordelingen. Hiermee wordt de rechtsgang heropend om te beoordelen of de veroordeling in stand kan blijven gegeven het gewijzigde juridische kader omtrent het inreisverbod.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling vanwege het licht inreisverbod.