Conclusie
“als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard”, en wegens feit 2 onder parketnummer 13-701643-14, te weten “
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld onder art. 27(a) Sr. Het daartegen aangewende cassatieberoep is bij arrest van 12 april 2016 verworpen, zodat tegen die uitspraak van het gerechtshof geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat.
grondheeft betrekking op de onder parketnummer 13-701413-13 bewezen verklaarde feiten 1, 2 en 3, en het onder parketnummer 13-701643-14 bewezen verklaarde feit 1. Aangevoerd wordt dat uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 januari 2018 blijkt dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten voor de gewezen verdachte een licht inreisverbod gold voor de duur van twee jaar, waarop artikel 66a, lid 7, VW niet toepasselijk is, en het hof, ware hij daarmee bekend geweest, de verdachte van de ten laste gelegde overtredingen van art. 197 Sr Pro zou hebben vrijgesproken.
22 mei 2012, D.A.]
. Bij besluit van 16 december 2016 is het verzoek afgewezen, maar is de duur van het zwaar inreisverbod verkort naar vijf jaar.
“ [aanvrager]
Geboren op [geboortedatum] 1974, Burger van Congo, eiser
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2008 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard als bedoeld in art. 67 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 vanwege veroordelingen voor drugsfeiten in 2003.
Bij besluit van 22 mei 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 januari 2012 tot opheffing van de ongewenstverklaring ingewilligd, onder gelijktijdige uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van tien jaar.
Eiser heeft op 8 juni 2016 verzocht om opheffing van het uitgevaardigde inreisverbod van tien jaar.
Verweerder heeft eisers verzoek tot opheffing van het inreisverbod van 8 juni 2016 tot opheffing van het inreisverbod afgewezen en tegelijkertijd de duur op grond van artikel 6.5a, vierde lid, onder d, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 aangepast naar vijf jaar. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 maart 2017 is het door eiser op 9 september 2016 daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Het besluit van 6 december 2016 is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen.
In het bestreden besluit van 12 mei 2017 heeft verweerder het verzoek van eiser om opheffing van het inreisverbod wederom afgewezen. Daarbij heeft verweerder de duur van het inreisverbod verlaagd van vijf naar drie jaar.
Eiser voert in beroep aan dat verweerder aan hem ten onrechte een zwaar inreisverbod voor de duur van drie jaar heeft uitgevaardigd. Bij de beoordeling of eiser een gevaar vormt voor de samenleving heeft verweerder namelijk niet het Unierechtelijk openbaar orde criterium toegepast in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 inzake Z.Zh. en I.O. tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (C-554/13).
In het verweerschrift van 3 oktober 2017 heeft verweerder aanleiding gezien om eiser te volgen in zijn beroepsgrond en hem een licht inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen.
Overwegingen
“een[door bescheiden gestaafd, D.A.]
gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”
rechtsfeiten zich onder bepaalde condities echter moeiteloos herschrijven. Rechtsfeiten kunnen niet alleen (net als echte feiten) achteraf anders
blijkente liggen, ze kunnen ook achteraf werkelijk anders
komente liggen, en wel doordat een nieuw rechtsfeit met terugwerkende kracht wijzigingen aanbrengt in de rechtsgevolgen die door een oud rechtsfeit zijn teweeggebracht.
nietvoor om uit het oogpunt van doelmatigheid (en bij wijze van hoge uitzondering) de zaak zelf ten principale af te doen. [10]