Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een hoger beroep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak afwees. De verdachte was niet aanwezig omdat hij zonder geldig paspoort in Libië verbleef. De verdediging verzocht om aanhouding zodat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht kon effectueren.
Het hof oordeelde dat de verdachte zich bewust in een positie had geplaatst waarin zijn aanwezigheidsrecht belemmerd zou kunnen worden en wees het verzoek af. De Hoge Raad overweegt dat een verzoek tot aanhouding kan worden gedaan door verdachte of diens raadsman en dat de rechter bij afwijzing een belangenafweging moet maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang bij een spoedige berechting.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof deze belangenafweging niet heeft gemaakt en dat de enkele grond dat de verdachte zich bewust in een belemmerde positie plaatste onvoldoende is om het verzoek af te wijzen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met een juiste belangenafweging.