Conclusie
“opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
middelbehelst de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
NJ1999/294 volgt dat indien in feitelijke aanleg een dergelijk verzoek wordt gedaan de feitenrechter een afweging dient te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. [3]