Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
kantoorhoudende te Alkmaar,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een werknemer die na een reorganisatie bij zijn werkgever, producent van uitvaartkisten, werd geplaatst in een andere functie met een lager loon. De werkgever voerde een salaris-afbouwregeling in waarbij het verschil tussen het oude en nieuwe salaris over twee jaar werd afgebouwd met een bevriezing van maximaal € 200. De werknemer weigerde in te stemmen met deze wijziging en startte een procedure.
De kantonrechter kende de werknemer gelijk, maar het hof vernietigde dit en wees de vorderingen af, stellende dat instemming met de functie ook instemming met het lagere loon impliceerde. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de werknemer de gewijzigde functie met lager loon heeft aanvaard, enkel omdat hij de werkzaamheden verrichtte, terwijl hij uitdrukkelijk bezwaar maakte en een procedure startte.
De Hoge Raad benadrukt dat welbewuste instemming vereist is en dat het verrichten van opgedragen arbeid niet zonder meer als instemming mag worden gezien. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. Tevens wordt de curator veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.