Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld voor poging zware mishandeling op zijn ex-vriendin. Op 6 april 2015 sloeg en schopte verdachte de vrouw meerdere malen, ook toen zij op de grond lag. De verdachte voerde aan dat hij handelde uit noodweer, omdat de vrouw hem aanviel met een mes en hem in zijn been stak.
Het hof erkende dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding en daarmee een noodweersituatie, maar oordeelde dat verdachte de grenzen van proportionaliteit had overschreden. Het hof verwierp daarom het beroep op noodweer en noodweerexces. De verdediging stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het voorbij kon gaan aan het feit dat verdachte binnen de proportionele grenzen bleef, mede omdat hij door een mes werd geraakt.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en niet duidelijk had gemaakt waarom het argument van de verdediging niet kon worden gevolgd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering proportionaliteit noodweer en wijst zaak terug naar hof.