Uitspraak
gevestigd te [plaats] ,
gevestigd te Elburg,
gevestigd te [plaats] ,
gevestigd te [plaats] ,
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 december 2018.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van biologische melkveehouders tegen de Regeling fosfaatreductieplan 2017, gericht op onverbindendverklaring van deze regeling. De biologische melkveehouders stelden dat de regeling een onrechtmatige overheidsdaad vormde en dat zij daardoor individueel onevenredig werden belast. Tevens werd betwist of de wettelijke grondslag van de regeling, te vinden in artikel 13 van Pro de Landbouwwet, toereikend was.
De procedure begon bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, gevolgd door een arrest van het gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad verwijst naar deze eerdere uitspraken en behandelt in cassatie uitsluitend de rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid en rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de biologische melkveehouders niet leiden tot cassatie. De toetsingsmaatstaf of de regeling onmiskenbaar onverbindend is, wordt niet overschreden. Ook is de wettelijke grondslag in artikel 13 van Pro de Landbouwwet voldoende. De vordering tot onverbindendverklaring wordt daarom afgewezen.
De Hoge Raad veroordeelt de eisers in de kosten van het geding in cassatie en wijst het beroep af. Hiermee blijft de Regeling fosfaatreductieplan 2017 van kracht, ondanks de individuele bezwaren van de biologische melkveehouders.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de biologische melkveehouders wordt verworpen en de Regeling fosfaatreductieplan 2017 blijft van kracht.