Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van een in 2011 ontbonden huwelijk tussen de man en de vrouw, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden maar afgerekend alsof sprake was van algehele gemeenschap van goederen. Centrale geschilpunten zijn de wijze van waardering van lijfrentepolissen en de peildatum voor de waardering van de echtelijke woning.
De rechtbank en het hof hadden een belastinglatentie van 42% toegepast op de lijfrentepolissen en de woning toegewezen aan de vrouw met als peildatum 25 juli 2013. Het hof motiveerde dat toekomstige belastingschulden contant op de peildatum moesten worden gewaardeerd en dat partijen de latere peildatum hadden overeengekomen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist is uitgegaan van de afkoopwaarde van de polissen op de peildatum als uitgangspunt voor de belastinglatentie, terwijl de belasting op die datum verschuldigd zou zijn over de uitgekeerde waarde. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de peildatum van 25 juli 2013 voor de woningwaardering tussen partijen is overeengekomen, gelet op het proces-verbaal en het gedrag van partijen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.