Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 maart 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond het bezit van beschermde inheemse diersoorten centraal, namelijk twee dode konijnen. De verdachte werd ten laste gelegd dat hij dieren, te weten twee konijnen, onder zich had. Het hof heeft deze tenlastelegging verbeterd naar het bezit van producten van dieren, namelijk twee dode konijnen, conform de definitie in de Flora- en faunawet.
De verdediging voerde aan dat deze verbetering neerkwam op grondslagverlating, wat niet is toegestaan. De Hoge Raad herhaalde echter de jurisprudentie dat de rechter misslagen in de tenlastelegging kan verbeteren mits de verdediging van de verdachte niet wordt geschaad. Het hof had geoordeeld dat verdachte door deze verbetering niet werd benadeeld in zijn verdediging, mede gelet op het verweer en het bewijsmateriaal.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld en dat er geen sprake was van grondslagverlating. Het cassatieberoep werd daarom verworpen. Hiermee is bevestigd dat de verbetering van de tenlastelegging in dit geval toelaatbaar was en dat het bewezenverklaarde feit juist is vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van bezit van twee dode konijnen als producten van dieren.