II. Tenlastelegging, bewezenverklaringen, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
5. Blijkens het vonnis van het Hof is aan de verdachte het volgende tenlastegelegd:
“Feit 1
PRIMAIR
dat hij op of omstreeks 5 februari 2017, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade,
[slachtoffer]
van het leven hebben/heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere (gerichte) schoten gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] meerdere verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer] aan die verwondingen is overleden.
(artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)
SUBSIDIAIR
dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] op 5 februari2017, althans in of omstreeks de maand februari 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade,
[slachtoffer]
van het leven hebben/heeft beroofd, immers hebben/heeft [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of hun mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere (gerichte) schoten gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] meerdere verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer] aan die verwondingen is overleden,
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstippen in de maand februari 2017 te Curaçao, al dan niet door tussenkomst van een of meer anderen, door giften en/of beloften, te weten door een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en/of door het verschaffen van middelen (zoals een of meer vuurwapens) opzettelijk heeft uitgelokt;
(artikel 1:123 j° 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)
FEIT 2:
dat hij op of omstreeks de maand februari 2017, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad,
■ een vuurwapen
in ieder geval een of meerdere vuurwapens en/of munitie in de zin van de Vuurwapenverordening
1930.
(artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening1930)”
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
“FEIT 1
SUBSIDIAIR
dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 5 februari 2017, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en (voor wat betreft [betrokkene 1] en voornoemde ander): met voorbedachten rade),
[slachtoffer]
van het leven hebben beroofd, immers hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en hun mededader met dat opzet en (voor wat betreft [betrokkene 1] en voornoemde mededader: na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen schoten gelost in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] meerdere verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer] aan die verwondingen is overleden,
welk feit hij, verdachte, op tijdstippen omstreeks de maand februari 2017 in Curaçao, door beloften, te weten door een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en door het verschaffen van middelen zoals een vuurwapen opzettelijk heeft uitgelokt;
FEIT 2:
dat hij omstreeks de maand februari 2017, in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, voorhanden heeft gehad,
■ een vuurwapen
in de zin van de Vuurwapenverordening 1930.”
7. Het bestreden vonnis houdt onder meer het volgende in (hier met weglating van de voetnoten):
“Het Hof is van oordeel dat het als feit 1 subsidiair ten laste gelegde een kennelijke misslag bevat. Het ligt op de weg van de rechter om die misslagen te verbeteren, mits de verdachte daardoor niet in de verdediging wordt geschaad. Zo een verbetering is immers een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging.
Het is, tegen de achtergrond van het dossier en gelet op de tekst van de tenlastelegging van feit 2, de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging geweest om het verwijt te formuleren dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair genoemde feit in of omstreeks de maand februari 2017 opzettelijk heeft uitgelokt. Het Hof zal dan ook de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen. Uit de procesopstelling van de verdachte en diens raadsvrouw leidt het Hof af dat bij de verdachte geen onduidelijkheid bestaat over wat hem wordt verweten, zodat de verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.
De overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn eveneens verbeterd (
cursief). De verdachte is daardoor evenmin geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
[…]
3. De politie heeft camerabeelden verkregen die zijn opgenomen buiten de woning gelegen aan de [a-straat 1] op 5 februari 2017. Het Hof heeft ter terechtzitting op die beelden het volgende waargenomen:
"Omstreeks 15.11.51, komt een zwarte auto in beeld welke midden op straat voor de woning gelegen aan de [a-straat 1] stopt. Twee geheel in het blauw geklede en bewapende mannen stappen uit de auto en rennen de woning binnen. De mannen zijn ongeveer 14 seconden in de woning en vertrekken in voornoemde auto."
4. [benadeelde] heeft op 5 februari 2017 de volgende verklaring afgelegd:
"Vandaag 5 februari 2017 zat ik in mijn woonkamer televisie te kijken. Ik zag op dat moment een zwartgekleurd voertuig voor mijn woning stoppen en twee geheel in het blauw geklede mannen uit het voertuig stappen en zich naar mijn woning haasten. Hun gezichten waren bedekt met bivakmutsen. Eén van de mannen kwam op me af en zei 'Para ketu'. Hij hield mij onder dwang door een vuurwapen tegen mijn linkerslaap te zetten. De andere man liep direct naar de slaapkamer van mijn zoon. Ik hoorde hierna drie à vier schoten uit de slaapkamer van mijn zoon komen. Hierna namen zij de benen. Zij stapten in het zwartgekleurde voertuig en reden met gierende banden weg. Ik liep naar de slaapkamer van " [slachtoffer] " (opmerking verbalisant: met [slachtoffer] wordt bedoeld wijlen [slachtoffer] ). Hij lag op zijn bed en ik zag bloed aan zijn rechterzijde.”
[…]
6. De verdachte [betrokkene 2] heeft op 16 februari 2017 de volgende nadere verklaring afgelegd:
"Ik heb de mensen die zich op 5 februari 2017 in de woning bevonden onder controle gehouden door hen met het vuurwapen, een revolver, dat ik in mijn hand had te bedreigen. Ik had een lichtblauw gekleurd ketelpak, zwarte schoenen en zwarte handschoenen aan en een donkergekleurde bivakmuts op mijn hoofd. [betrokkene 1] had een donkerblauw gekleurd ketelpak, zwarte handschoenen en sportschoenen aan en een zwartgekleurde bivakmuts op zijn hoofd. Hij had ook een revolver bij zich. Wij hebben op 5 februari 2017 de vuurwapens van [medeverdachte] gekregen. Ook de zwart gekleurde auto werd op die dag, dertig minuten voordat wij naar de woning van [slachtoffer] waren gegaan, door [medeverdachte] aan [betrokkene 1] en mij gegeven. [medeverdachte] had zijn stiefzoon naar de woning van [slachtoffer] gestuurd om een Playstationspel te lenen. Zo wisten wij dat [slachtoffer] zich thuis bevond. Hierna vertrokken wij meteen vanuit de woning van [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] . [betrokkene 1] trad op als bestuurder van de auto. De auto heeft hij midden op straat tot stilstand gebracht. Wij renden toen naar binnen en in de woonkamer richtte ik mijn vuurwapen op de vader van [slachtoffer] . Ondertussen was [betrokkene 1] naar de slaapkamer van [slachtoffer] gerend. Hij opende de slaapkamerdeur en ging naar binnen. Meteen nadat hij naar binnen was gegaan, hoorde ik schoten. Nadat [betrokkene 1] uit de slaapkamer van [slachtoffer] kwam, renden wij naar de auto, stapten in en reden met hoge snelheid weg. In de buurt van de school op de [b-straat] heeft [betrokkene 1] de auto in brand gestoken met gasoline die [medeverdachte] vooraf in de auto had gezet. [betrokkene 1] heeft daarbij brandwonden opgelopen. De ketelpakken, bivakmutsen en handschoenen hebben wij iets verder uitgetrokken en weggegooid. De revolvers hebben wij teruggegeven aan [medeverdachte] .[…].
De revolver die ik bij me had, bevatte geen kogels.”
[…]
8. De verdachte [medeverdachte] heeft op 10 mei 2017 de volgende verklaring afgelegd:
"Op 5 februari 2017 waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het Hof begrijpt: [betrokkene 2] ) de woning van [slachtoffer] binnengevallen. [betrokkene 1] heeft [slachtoffer] doodgeschoten. [verdachte] (het Hof begrijpt: [verdachte] ) was de persoon die heeft betaald om de woning van [slachtoffer] binnen te vallen. [verdachte] had mij benaderd om de woning van [slachtoffer] binnen te vallen. Hij had aan mij gevraagd om twee mannen naar hem toe te sturen, zodat zij iets voor hem konden doen. [betrokkene 1] heeft [betrokkene 2] erbij gehaald om de opdracht van [verdachte] uit te kunnen voeren. Ik heb een vuurwapen uit handen van [verdachte] gekregen, dat ik aan [betrokkene 1] moest geven. Ik heb dat vuurwapen op dezelfde avond aan [betrokkene 1] gegeven.[…]
.
10. De verdachte [medeverdachte] heeft op 17 mei 2017 de volgende verklaring afgelegd:
"Ik heb enkele dagen voor 1 februari 2017 het vuurwapen aan [betrokkene 1] gegeven.”
[…]
Bewijs(middel)overwegingen
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) waarin hij de verdachte belast, onbetrouwbaar zijn omdat hij wisselend en inconsistent heeft verklaard en overigens geen steun te vinden is voor zijn lezing in de verklaringen van de andere verdachten.
Betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte]
Naar het oordeel van het Hof worden belangrijke elementen uit de verklaring van [medeverdachte] , daar waar hij de verdachte belast als de opdrachtgever van de liquidatie ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het Hof wijst daarbij in de eerste plaats op de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] die de gang van zaken voor wat betreft de betaling door de verdachte bij [A] maatschappij ondersteunt. Voorts wordt verwezen naar de camerabeelden opgenomen bij [A] Maatschappij die de beschreven ontmoeting voor de betaling tussen de verdachte en [betrokkene 1] en [medeverdachte] tevens ondersteunen. Ook [betrokkene 2] bevestigt dat er betaald is voor de liquidatie en dat hem een deel van dat geld is aangeboden door [betrokkene 1] .
Daarbij komt dat de gebezigde verklaring van [medeverdachte] niet alleen zeer gedetailleerd is, maar tevens tot stand is gekomen nadat [medeverdachte] had gesproken met zowel een officier van justitie als zijn advocaat. [medeverdachte] belast de verdachte in deze verklaring voor het eerst als zijnde de opdrachtgever. Bij aanvang van het verhoor geeft hij aan bang te zijn voor de verdachte en lopende het verhoor geeft hij uitleg waarom hij niet eerder tot deze voor de verdachte belastende verklaring is gekomen:
"Ik heb verzocht om met de officier van justitie te spreken omdat ik moe ben en de hele waarheid wil spreken.(...) Ik ben bereid een verklaring af te leggen over de moord.(...) Ik moet wel zeggen dat nu ik de waarheid vertel, ik meer problemen heb dan als ik mijn mond had dichtgehouden. (..) [verdachte](het Hof begrijpt: de verdachte)
kent veel mensen die ik niet ken.(...) [verdachte] is een wraakzuchtige man. [verdachte] kan zelf niet veel doen, maar betaalt wel om hetgeen hij wil gedaan te krijgen.(...) Nu dat ik de waarheid heb verklaard, ben ik niet meer veilig. Ik wil weten wat er gaat gebeuren."
Op 17 mei 2017 blijft [medeverdachte] vervolgens bij deze voor de verdachte belastende verklaring en op 27 juni 2017 beroept hij zich op zijn zwijgrecht en geeft hij als reden daarvoor aan:
"De dag dat ik met de officier van justitie heb gepraat, werd er tegen mij gezegd dat er een vervolggesprek zou plaatsvinden met de officier van justitie.(...) Tot mijn verbazing heb ik tot de dag van vandaag helemaal niets gehoord (...) dat is de reden dat ik voortaan van mijn zwijgrecht gebruik zal maken."
Het Hof acht de verklaring van 10 mei 2017, daar waar het gaat om het noemen van de verdachte als de opdrachtgever, mede gelet op de wijze van totstandkoming ervan en de inhoud van de verklaringen van 17 mei en 27 juni 2017 over de gang van zaken na het verhoor van 10 mei 2017, betrouwbaar en geloofwaardig en bezigt deze dan ook tot het bewijs. Het verweer wordt verworpen.
Uitlokking
Uit de bewijsmiddelen en het onderliggende dossier kan de volgende feitelijke gang van zaken worden afgeleid.
Buiten elke twijfel kan worden aangenomen dat [slachtoffer] het slachtoffer is geworden van een pure liquidatie. De opdracht daartoe kwam van de verdachte. Hij heeft [medeverdachte] benaderd om twee mannen bereid te vinden deze klus te klaren. Voorts werd [medeverdachte] door de verdachte gevraagd een rol te spelen bij de betaling zodra het werk zou zijn gedaan in ruil voor een deel van het uit te betalen geldbedrag. [medeverdachte] heeft hieraan gehoor gegeven en [betrokkene 1] een aantal dagen voor de liquidatie benaderd. [betrokkene 1] heeft deze klus aanvaard en de verdachte [betrokkene 2] erbij betrokken. [medeverdachte] heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vervolgens tot in detail in de gelegenheid gesteld het feit te kunnen plegen en onder meer een vuurwapen, dat door de verdachte ten behoeve van de liquidatie aan [medeverdachte] is gegeven, aan [betrokkene 1] ter hand gesteld. Na de liquidatie heeft de verdachte bij [A] maatschappij, waarbij [medeverdachte] zoals afgesproken als tussenpersoon is opgetreden, de betaling van de uitvoerders aan [betrokkene 1] voldaan.
Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke uitlokking van het medeplegen van moord. Het verweer wordt verworpen.”