Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen en het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2 gram heroïne en 32,15 gram cocaïne in een woning te Zoetermeer. Het hof baseerde dit op de gezamenlijke aankomst van de verdachte met anderen in de woning waar de drugs werden aangetroffen, en stelde dat sprake was van gezamenlijke machtsuitoefening over de verdovende middelen.
De verdediging voerde aan dat feitelijke aanwezigheid onvoldoende is voor medeplegen zonder opzet op samenwerking of substantiële bijdrage. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet zonder meer begrijpelijk heeft gemotiveerd dat uit de bewijsvoering medeplegen en opzet konden worden afgeleid. De gezamenlijke aankomst en aanwezigheid van de drugs in de woning zijn onvoldoende om medeplegen te bewijzen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het oordeel over medeplegen en opzet betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Hiermee is de eerdere bewezenverklaring niet in stand gebleven en moet het hof opnieuw beoordelen of sprake is van medeplegen en opzet op het aanwezig hebben van de harddrugs.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs medeplegen en opzet.