Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen, met een gevangenisstraf van achttien maanden. Het hof baseerde zijn strafoplegging op LOVS-oriëntatiepunten, waarbij het benadelingsbedrag werd vastgesteld op circa € 500.000, deels voortkomend uit belastingontduiking.
De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof over de strafmotivering en de toepassing van de LOVS-oriëntatiepunten en oordeelde dat het hof zijn strafoplegging begrijpelijk had gemotiveerd. Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de periode tussen aanhouding en vonnis ruim vijf jaar bedroeg.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot zeventien maanden. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. De zaak werd niet terugverwezen, en de strafvermindering werd direct doorgevoerd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien naar zeventien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.