Conclusie
Nummer17/05109
“van het plegen van witwassen een gewoonte maken”en het onder 2 tenlastegelegde
“opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden en een geldboete van € 500.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Het hof heeft bovendien de teruggave aan de verdachte gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zoals in het arrest genoemd.
eerste middelklaagt over de verwerping van een 359a Sv-verweer.
1. Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52 zijn Pro de in de artikelen 47 en 48 tot en met 50 geregelde verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van:
Onder het voorbereidende onderzoek wordt verstaan het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat."
Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.”
De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
rijksbreed en integraal” aan te pakken. Hiertoe zijn de gegevens opgevraagd van betaaltransacties die zijn verricht met debet- en creditcards die aan buitenlandse tegoeden zijn gekoppeld. Op basis van een analyse van die gegevens kan de Belastingdienst belastingplichtigen met fiscaal onbekend vermogen identificeren. Daarna wordt beoordeeld of bestuurlijk of strafrechtelijk zal worden gehandhaafd. [2]
nietheel uitdrukkelijk uitgesproken over de rechtmatigheid van die toepassing van art. 53 AWR Pro. [5] Het op art. 359a Sv gestoelde verweer werd reeds verworpen op de grond dat de toepassing van art. 53 AWR Pro buiten het bereik van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte viel. Over dat oordeel klaagt het middel.
2.6. Verweer en middel berusten op de opvatting dat het opvragen van inkomensgegevens van de verdachte bij de Belastingdienst door de politie, mede op grond van welke gegevens de verdenking is ontstaan dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, bij uitsluiting dient te geschieden door aanwending van de bevoegdheid van art. 126nd Sv. Deze opvatting is in zijn algemeenheid onjuist. Op grond van art. 67, tweede lid, AWR in verbinding met art. 43c, eerste lid onder m, UR AWR 1994 is immers de Belastingdienst bevoegd tot het verstrekken aan daar genoemde andere bestuursorganen - waaronder de politie - van onder meer de gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover daartoe een convenant als het onderhavige met die bestuursorganen is gesloten, en mag de politie zich die gegevens - al dan niet op haar verzoek - doen verstrekken. Voor de uitoefening van vorenstaande bevoegdheid is het bestaan van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit niet vereist. Evenmin staat het bestaan van zo een vermoeden aan die uitoefening in de weg.” [15]
“niet sprake [is] van een verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a Sv” en zijn oordeel “
dat het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, dan wel tot bewijsuitsluiting, wegens verzuim van vormen wordt verworpen” getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik ook overigens niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te reageren op een namens de verdediging gevoerd verweer inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, welk verweer was gegrond op de toepassing van een “
sleepnetmethode die het wettelijke systeem in de kern raakt” (aldus de verdediging) “
met extreem ingrijpende en omvangrijke privacy-schendingen ten gevolge”.
de door de verdediging gestelde inbreuk op de privacy van de verdachte die door het handelen van de Belastingdienst zou zijn aangebracht, niet tot het oordeel [leidt] dat het gebruik van de vergaarde gegevens strijd met het in artikel 6 EVRM Pro neergelegde recht van de verdachte op een eerlijk proces oplevert”. Ik acht dit oordeel, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
derde middelklaagt dat het hof de verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het namens de verdediging gedane verzoek om onderzoekshandelingen te verrichten.
(…)
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat, per witwashandeling, bewezen kan worden verklaard dat het witwasvoorwerp deels uit misdrijf afkomstig is. Het
vijfde middelklaagt over ’s hofs oordeel dat de bewezenverklaarde witwashandelingen in onderlinge samenhang kunnen worden beschouwd als een combinatie van handelingen die erop waren gericht verdachtes vermogen aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken door betalingen met dat illegale vermogen te doen teneinde dat vermogen een legale titel te geven. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
medeof
deelsuit misdrijf afkomstig. Daarbij wijst de Hoge Raad er wel op dat voorkomen moet worden dat de witwasbepaling wordt toegepast op in wezen niet-strafwaardig gedrag, bijvoorbeeld wanneer – kort gezegd – het van misdrijf afkomstige deel in het bedoelde vermogen van ondergeschikte betekenis is.
zesde tot en met het negende middelklagen over de strafoplegging. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Oplegging van straffen
zesde middelklaagt dat het hof zich bij de strafoplegging heeft gebaseerd op een te hoog benadelingsbedrag. Het
zevende middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, heeft nagelaten de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden bij (de motivering van) de strafoplegging te betrekken. Het
achtste middelklaagt dat het hof het bestanddeel ‘deels’ (van misdrijf afkomstig) in de bewezenverklaring heeft opgenomen, maar niet heeft vastgesteld hoe omvangrijk dat deel was. Het
negende middelklaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op het namens de verdediging gevoerde strafmaatverweer inzake de media-uitingen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de verdachte.
“de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd”. Met ‘vergelijkbare gevallen’ wordt volgens de steller van het middel gedoeld op vergelijkbare gevallen als opgenomen in de oriëntatiepunten van het LOVS. Gezien die oriëntatiepunten in combinatie met de hoogte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en geldboete, is het hof bij de strafoplegging volgens het middel ten onrechte van de in die oriëntatiepunten genoemde hoogste categorie uitgegaan. Ter terechtzitting bij het hof heeft de verdediging immers aangevoerd dat het daadwerkelijk benadelingsbedrag lager ligt, aldus het middel.
het omvangrijke nadeel dat aan de samenleving is toegebracht en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, ertoe [leiden] dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is aangewezen.”Maar zelfs als het hof die oriëntatiepunten wel zou hebben uitgelegd of toegepast, is het nog maar de vraag of de onderhavige strafmotivering om de door het middel aangevoerde reden niet begrijpelijk zou zijn. Het zesde middel faalt.
“de verdachte welbewust zijn frauduleuze gedragingen jaar na jaar voortgezet [heeft]. Ook nadat hij wetenschap had gekregen van het bestaan van de zogenoemde ‘inkeerregeling’ heeft hij in zijn gedragingen volhard. Het is enkel aan de FIOD en het Openbaar Ministerie te danken dat het frauduleuze handelen van de verdachte is beëindigd.”Dat oordeel acht ik, mede gezien hetgeen ik heb vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Art. 359, tweede lid, tweede volzin, noopte het hof daarbij niet tot een nadere motivering. [27]
deelsafkomstig is uit enig misdrijf. De eis dat voor de begrijpelijkheid van de strafoplegging noodzakelijk is dat het hof eerst vaststelt hoe omvangrijk dat deel is, vindt geen steun in het recht.