Bij arrest van 18 januari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, bevestigd het eindvonnis van 1 december 2014 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarbij de verdachte wegens 1. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, en 4. “medeplegen van het een gewoonte maken van witwassen”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00517, 17/00519, 17/03078 en 17/03080. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, zes middelen van cassatie voorgesteld.
Volgens de verdenking en de bewijsvoering van het hof draait het in deze zaak om het volgende. De verdachte vormde tezamen met onder meer de medeverdachten [medeverdachte 1] (de echtgenoot van de verdachte) en diens broer [medeverdachte 2] een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven bestaande uit valsheid in geschrift, het gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften, het valselijk doen opmaken respectievelijk het gebruiken van authentieke akten (strekkende tot het plegen van fraude met kinderopvangtoeslagen voor een totaalbedrag van afgerond € 829.000 onderscheidenlijk met sealbags waarmee een totaalbedrag van afgerond 1,4 miljoen euro gemoeid was), het oplichten van de belastingdienst en twee banken en het plegen van gewoontewitwassen. Deze uit fraude verkregen inkomsten werden overgeboekt van de ene naar de andere bankrekening of contant opgenomen en gebruikt voor de aankoop van onroerend goed, boten, auto’s en afbetaling van schulden. De rol die de verdachte volgens het hof heeft ingenomen bestaat allereerst in haar betrokkenheid bij de sealbag fraude. Zo zou de verdachte ter verkrijging van een ondernemersrekening bij de Rabobank een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende de eenmanszaak “ [A] ” aan de Rabobank hebben overgelegd met daarop de vermelding dat de onderneming voor rekening van de verdachte werd gedreven, en zou zij handelend als ware zij eigenaar van “ [A] ” pakket-overeenkomsten met de Rabobank en de ABN Amro bank hebben gesloten, terwijl deze informatie in strijd met de waarheid was. Een deel van de opbrengst van deze sealbag fraude was op de eigen bankrekening van de verdachte overgemaakt. Ook waren kinderopvangtoeslagen van een neptweeling, geldbedragen uit sealbag fraudes (genoemd wordt [B] ), verzonnen salarissen en verzonnen huurbedragen op een bankrekening van haar bijgeschreven, waren op naam van de verdachte aanvragen voor de bedoelde kinderopvangtoeslagen ingediend, stond de verdachte op verschillende adressen ingeschreven, terwijl zij daar in werkelijkheid nooit gewoond had, heeft de verdachte in strijd met de waarheid verklaard dat zij met een zekere [betrokkene 7] samenwoonde, heeft de verdachte bij de fraudes gebruikte bankrekeningnummers geopend en bankpasjes opgehaald en aan een ander ter beschikking gesteld, zulks om te verhullen wie de rechthebbende van die bankrekeningen was, en heeft de verdachte de bouw van een woning in Servië uit de fraude-opbrengsten gefinancierd en op naam van een ander laten zetten.
Alvorens de middelen te bespreken, komt het mij dienstig voor de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen weer te geven, nu de klachten voornamelijk tegen onderdelen van de bewijsvoering opkomen.
Door het eindvonnis van de rechtbank te bevestigen, is ten laste van de verdachte door het hof bewezenverklaard dat:
2. zij in de periode van 6 januari 2009 tot en met 20 februari 2009 te Tilburg, tezamen en in
vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en voorhanden heeft gehad en heeft afgeleverd een vals document, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enige feit te dienen — als ware dat geschrift echt en onvervalst — te weten:
een uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] , bestaande dat gebruikmaken en voorhanden hebben en afleveren van dat document hierin dat verdachte en/of haar mededaders voornoemd uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] heeft overgelegd aan de RABO Bank ter verkrijging van een ondernemersrekening bij voornoemde bank en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat blijkens dat uittreksel van de Kamer van Koophandel verdachte als eigenaar van de eenmanszaak [A] moest worden aangemerkt en op het uittreksel stond vermeld dat de onderneming [A] voor haar rekening werd gedreven, terwijl in werkelijkheid verdachte niet de eigenaar van de eenmanszaak [A] was, doch haar mededaders en de onderneming feitelijk niet voor haar rekening werd gedreven, doch voor en door haar mededaders, terwijl zij wist dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik;
3. zij in de periode van 13 januari 2009 tot en met 6 april 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, te weten:
a. een Overeenkomst ABN-AMRO MKB-pakket met de ABN-AMRO Bank
b. een Overeenkomst Rabo Ondernemers Pakket met Startersvoordeel met de Rabobank,
immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededaders valselijk en in strijd met de waarheid:
ad a. voornoemde overeenkomst afgesloten en ondertekend met de ABN Amrobank, en
ad b. voornoemde overeenkomst afgesloten en ondertekend met de Rabobank,
en daarbij telkens opgegeven te handelen onder de naam van [A] , telkens als ware zij, verdachte, de eigenaar van de eenmanszaak [A] , terwijl in werkelijkheid verdachte geen eigenaar van de eenmanszaak [A] was, doch haar mededaders, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
4. zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen:
- telkens van een voorwerp, te weten goederen en geldbedragen, verhuld wie de rechthebbende was en wie bovenomschreven voorwerpen, te weten goederen en geldbedragen, voorhanden heeft/hebben (gehad), terwijl zij, verdachte, en/of haar mededaders wisten dat die voorwerpen, te weten goederen en geldbedragen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit misdrijf, door — zakelijk omschreven —:
- in de periode van 6 april 2010 tot en met 5 maart 2013 een bankrekening te openen bij de ABN Amrobank, met rekeningnummer [001] , en de bijbehorende bankpas en pincode ter beschikking te stellen aan een ander, waardoor werd verhuld wie de rechthebbende is/was van voornoemde bankrekening en het tegoed op voornoemde bankrekening en
- in de periode van 13 januari 2009 tot en met 5 maart 2013 een bankrekening te openen bij de Rabobank, met rekeningnummer [002] , en de bijbehorende bankpas en pincode ter beschikking te stellen aan een ander, waardoor werd verhuld wie de rechthebbende is/was van voornoemde bankrekening en het tegoed op voornoemde bankrekening en
- in de periode van 2 november 2011 tot en met 5 maart 2013 in totaal een geldbedrag van EUR 9.109,76, zijnde telkens de maandelijkse huur van EUR 569,36 van het pand aan de [a-straat 1] te Tilburg, te (laten) betalen,
- in de periode januari 2011 tot en met 5 maart 2013 over een woning in Kovacevac in Servië te beschikken en die woning te laten bouwen en de bouw van die woning te financieren en die woning op naam te zetten van een ander, terwijl zij verdachte en haar mededaders telkens wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en terwijl verdachte en haar mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.”
[A] , [adres] Tilburg
KvK [003] , Eenmanszaak
Eigenaresse; [verdachte] , [woonplaats] . Geboortedatum [geboortedatum] -1980 te [geboorteplaats] in Joegoslavië geïdentificeerd middels Verblijfsdocument [...] , Regulier Bepaalde Tijd, uitgegeven te Tilburg op 14-03-2007 en geldig t/m 24-04-2012.
Rabo Ondernemerspakket met nummer [002] .
Met de klant is op 20-02-2010 een afstortovereenkomst afgesloten, gezien afstortingen in het verleden is met deze klant overeengekomen een afstortnorm van € 15.000,-- d.w.z. een totaalbedrag per sealbag mag dit bedrag niet overschrijden, bij overschrijding van het bedrag wordt niet binnen 24 uur bijgeschreven maar na werkelijke telling door Rabo Geldservice (RGS).
10. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte A. [medeverdachte 4] d.d. 2 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-05-09):
Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde achtereenvolgens de volgende foto’s: FO-63, F0-64, F0-65, F0-66, FO-67, F0-68, FO-69, F0-70, F0-7l, F0-72 en F0-73.
Verdachte:
F0-69: Er zou daar een huis worden gebouwd voor [medeverdachte 1] en [verdachte] . Dat is naast het huis van de ouders van [verdachte] .
Verdachte:
F0-71: Ja, dat is het huis van [medeverdachte 1] . Het is een groot huis, ik denk dat het zo groot is omdat ze ook kinderen hebben.
Van Bedrag Naar GGN Betreffende
rekeninghouder betalingsachterstand
Beauty salon 58,75 [verdachte] Sanoma media
[...] 21,75 [verdachte] Sanoma media
MDV 992,79 [A] / [verdachte] Brabants afval team
Autopoetsbedrijf
[...] 58,75 [verdachte] Sanoma media
Verbalisanten:
Volgens ons ter beschikking staande gegevens zijn vanaf 2008 t/m 2012 de hierna genoemde kinderen, naar tijdsgelang, ingeschreven op “ [D] ”. Het betreffen de kinderen:
- [betrokkene 26] (BSN nr.: [nummer] ) geb. [geboortedatum] -2007
- [betrokkene 31] (BSN nr.: [nummer] ) geb. [geboortedatum] -2008
- [betrokkene 30] (BSN nr.: [nummer] ) geb. [geboortedatum] -2009
Deze kinderen zijn door de jaren aangemeld bij kinderdagverblijf ‘ [D] ” voor dagopvang/Buitenschoolse opvang. Wat wilt u hierover verklaren?
Gehoorde:
In ons systeem komen voor:
- [betrokkene 31] geboren [geboortedatum] -2008
- [betrokkene 28] geboren [geboortedatum] -2007
Dit dossier van [verdachte] is in behandeling bij onze deurwaarders-incassokantoor. De opvang is beëindigd in maart 2009.
Het derde door u genoemde kind [betrokkene 30] komt bij ons helemaal niet voor.
Ik zal het papieren dossier er bij pakken. ik zie in ons papieren dossier dat wij in maart 2009 de opvang voor [betrokkene 28] hebben beëindigd. [betrokkene 31] zou geplaatst worden per 1 april 2009. Maar dat is niet doorgegaan omdat ons dossier is overgedragen aan de deurwaarder. Samengevat [betrokkene 28] heeft hier in de opvang gezeten van 1 maart 2008 en die is door ons beëindigd per 31 maart 2009 wegens betalingsachterstand. [betrokkene 31] komt wel in ons systeem voor maar hij heeft hier nooit opvang gehad door de betalingsachterstand die er inmiddels met [betrokkene 28] was. Het 3e kind [betrokkene 30] is niet bij ons bekend.
24. Geschriften, zijnde kopieën van bankafschriften van rekeningnummer ING [006] ten name van [verdachte] , inhoudende voor zover van belang (bijlage l-D-002-02, blz. 4333, 4338, 4349):
- een transactie, zijnde een bijboeking betrekking hebben op ontvangen huur van [E] ;
- een transactie, zijnde een bijboeking betrekking hebben op ontvangen huur van [B] Lelystad;
- een transactie, zijnde een bijboeking betrekking hebben op kinderopvangtoeslag [F] ;
- een transactie, zijnde een bijboeking kinderbijslag met vermelding klantnr. [007] ;
- een transactie, zijnde een bijboeking salaris afkomstig van [G] .
Noot verbalisanten: Gehoorde wordt een interne notitie getoond van [betrokkene 33] d.d. 16-05-2012. [betrokkene 33] is werkzaam bij TBV Wonen. In de interne notitie van [betrokkene 33] staat, onder meer, het volgende:
- dat zij een gesprek heeft gevoerd met [verdachte] die aangeeft dat zijn vrouw (aanstaande ex) in de woning woont, samen met haar nieuwe vriend [betrokkene 7] en 3 kinderen.
- dat [verdachte] de huur betaalt en dat hij vanmiddag de huur overmaakt voor mei en juni
- dat hij gegevens aanlevert van [betrokkene 7] , zijn vrouw, kinderen, trouwakte, inschrijving, uitkering
- dat zijn mobiele nummer is : 06- [008] .
Vraag verbalisanten: Wat wilt u hierover verklaren?
Antwoord gehoorde: Ik weet alleen dat mijn man [medeverdachte 1] het huurcontract op mijn naam wilde laten zetten.
Noot verbalisanten: Gehoorde wordt een interne notitie getoond van [betrokkene 34] d.d. 19-06-2012. [betrokkene 34] is werkzaam bij TBV Wonen.
Vraag verbalisanten: Wat wilt u hierover verklaren?
Antwoord gehoorde: Ik zal u vertellen hoe dat is gebeurd. Er is iemand van de Gemeente bij ons aan de deur geweest, ik weet niet waarom. Zij zijn binnen geweest, want het waren er twee of drie. Deze mensen hebben gesproken met mijn man. Ik was er ook bij, maar ik moest ook op de kinderen letten, dus af en toe was ik weg. Ik heb niet goed opgelet waarover werd gesproken. Ik heb wel gehoord dat [medeverdachte 1] tegen deze mensen heeft gezegd dat ik daar woonde, de [a-straat 1] te Tilburg dus, met mijn nieuwe partner. Die mensen hebben mij dus gevraagd ‘heeft u een nieuwe partner’, waarop [medeverdachte 1] mij met zijn hoofd een teken gaf dat ik ja moest zeggen. Ik heb toen ja gezegd. Ik heb ja gezegd omdat [medeverdachte 1] mij dat liet weten dat ik dat moest doen.
Volgens het belastingsysteem Beheer van relaties staat u vanaf 15-05-2012 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Tilburg en daarvoor op de volgende adressen:
- van 12-04-2011 tot 15-05-2012 onbekend adres
- van 16-07-2010 tot 12-04-2011 [adres] Tilburg
- van 11-03-2010 tot 16-07-2010 [d-straat] te Hengelo
- van 27-11-2008 tot 11-03-2010 [c-straat] Tilburg
Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over de genoemde adressen en uw verblijfsadres in de periode 12-04-2011 tot 15-05-2012?
Antwoord gehoorde: Ik heb op de [c-straat] Tilburg gewoond, maar ik weet niet precies wanneer dat was.”
8. Het
eerste middelklaagt dat ’s hofs afwijzing van het voorwaardelijk gedaan verzoek van de verdediging tot het horen van getuige [betrokkene 35] zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is, nu het hof daarbij niet is ingegaan op het tweede aspect dat aan het voorwaardelijke verzoek ten grondslag is gelegd, te weten dat “de getuige vermoedelijk ook meer kan vertellen over de wijze waarop het huis is gefinancierd”.
9. De achtergrond van het voorwaardelijk verzoek is gelegen in feit 4 waarin het medeplegen van gewoontewitwassen aan de verdachte is tenlastegelegd. Een onderdeel daarvan betreft een woning in Kovačevac, die de verdachte ter beschikking had. In de pleitnota van de verdediging, welke op de terechtzitting van het hof van 7 december 2016 aan het hof is overgelegd en aan het zittingsverbaal is gehecht, is aangevoerd dat verdachte ontkent dat het huis van haar en [medeverdachte 1] is en dat zij heeft verklaard dat haar vader het huis heeft laten bouwen voor haar halfbroertje [betrokkene 36] en dat [medeverdachte 1] hieraan twee tot drieduizend euro heeft bijgedragen. De verdediging betrekt daarbij de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4] die zij als getuige op de terechtzitting van het hof van 4 maart 2016 heeft afgelegd en die inhoudt dat haar is “gebleken dat het huis niet van [medeverdachte 1] en [verdachte] was, maar dat het huis door de vader van [verdachte] werd gebouwd voor de broer van [verdachte] ”. Dit zou [medeverdachte 4] hebben vernomen van de stiefmoeder van de verdachte (en tevens moeder van [betrokkene 36] ) op een herdenkingsbijeenkomst na de FIOD-verhoren. Deze verklaring, die voor het hof aanleiding was om ambtshalve een proces-verbaal van meineed op te maken, is tegenstrijdig met de verklaring van [medeverdachte 4] bij de FIOD. Als de FIOD [medeverdachte 4] twee foto’s (FO-69 en FO-71) voorhoudt luidt de reactie van haar: “Er zou daar een huis worden gebouwd voor [medeverdachte 1] en [verdachte] (de verdachte, EH), naast het huis van de ouders van [verdachte] , ja, dat is het huis van [medeverdachte 1] , het is een groot huis, ik denk (…) omdat ze ook kinderen hebben” (b.m. 10). In de pleitnota wordt vervolgens naar voren gebracht:
“2.18 Daarmee ligt dus te uwer beoordeling voor welke verklaring van [medeverdachte 4] wel en welke niet klopt: die bij de FIOD of die ter zitting.
[…].
2.21 Ik meen daarom dat de verklaring van [medeverdachte 4] ter terechtzitting, voor zover inhoudende dat zij heeft vernomen dat het huis in Kovacevac voor [betrokkene 36] is gebouwd, voor waar kan worden gehouden en ik verzoek u dan ook daarvan uit te gaan.
2.22
Voorwaardelijk verzoek:
mocht u de verklaring van [medeverdachte 4] ter zitting voor wat betreft de voor cliënte ontlastende passages niet zonder meer geloven, dan verzoek ik u de stiefmoeder van cliënte (de moeder van [betrokkene 36] ) als getuige te (doen) horen. Zij is de aangewezen persoon om te achterhalen of zij inderdaad [medeverdachte 4] heeft verteld dat het huis bestemd was voor haar zoon [betrokkene 36] en, zo ja, waarop zij die stelling heeft gebaseerd. Zij kan vermoedelijk ook meer vertellen over de wijze waarop het huis is gefinancierd. Zij is genaamd [betrokkene 35] , geboren [geboortedatum] 1972, en wonende te Kovacevac, Jagodina, Servië. Mocht u het verzoek honoreren, dan zal ik trachten z.s.m. meer exacte adresgegevens te verstrekken.”