Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij in de periode van december 2010 tot februari 2011 te Diemen een gedeelte van het elektriciteitswerk van een woning had beschadigd, een stoornis in de werking had veroorzaakt en een veiligheidsmaatregel had verijdeld, terwijl daardoor gevaar voor goederen te duchten was. Het Hof Amsterdam verklaarde dit bewezen en kwalificeerde het handelen van de verdachte als opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk met verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte.
De Hoge Raad constateerde dat het Hof een onjuiste kwalificatie had toegepast. De tenlastelegging was toegesneden op art. 161bis Sr aanhef en onder 2°, dat betrekking heeft op gevaar voor goederen, terwijl het Hof had gekwalificeerd op art. 161bis Sr aanhef en onder 1°, dat ziet op verhindering of bemoeilijking van stroomlevering. Daarnaast was niet bewezen dat de verdachte opzettelijk had gehandeld, hetgeen wel vereist is volgens art. 161bis Sr.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de beslissingen en strafoplegging betrof met betrekking tot deze tenlastelegging. De zaak werd terugverwezen naar het Hof Amsterdam voor hernieuwde berechting binnen het bestaande hoger beroep. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 20 maart 2018.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.