Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
- art. 310 Sr Pro:
- art. 311, eerste lid, Sr:
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, medeplegen van opzetheling en gewoontewitwassen, en subsidiair diefstal door twee of meer verenigde personen. Het hof legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Een belangrijk punt van discussie is de kwalificatie van het subsidiaire tenlastegelegde feit als diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl het bestanddeel ‘met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’ ontbrak in de bewezenverklaring. De Procureur-Generaal stelt dat deze kwalificatie onjuist is, maar dat dit een kennelijke misslag betreft die geen cassatiegrond oplevert omdat de tenlastelegging waarschijnlijk zal worden aangepast bij verwijzing.
Daarnaast is er kritiek op de toepassing van vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. De Procureur-Generaal concludeert dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur moet worden toegepast conform eerdere jurisprudentie.
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor zover het gaat om de toepassing van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen is toegepast en wordt bepaald dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.