Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Juridisch kader
4.Beoordeling van het middel
5.Slotsom
6.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die na illegaal verblijf in Nederland en vreemdelingenbewaring in 2014 naar Albanië was uitgezet. Op 6 februari 2015 werd hij ongewenst verklaard door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, mede vanwege een eerdere veroordeling en het gevaar voor de openbare orde. Verdachte diende bezwaar in, dat op 10 april 2015 werd gehonoreerd, waarna een inreisverbod van vijf jaar werd opgelegd.
Op 27 februari 2015 werd verdachte in Nederland aangetroffen en vervolgd wegens verblijf ondanks de ongewenstverklaring. Het hof sprak verdachte vrij omdat het oordeelde dat de ongewenstverklaring niet op een wettelijk voorschrift berustte. Het hof toetste de beschikking aan de Terugkeerrichtlijn en de uitleg daarvan door het Hof van Justitie, maar dat was onjuist omdat verdachte zich ten tijde van de beschikking niet op EU-grondgebied bevond.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door de Terugkeerrichtlijn toe te passen in deze situatie. Ook concludeerde de Hoge Raad dat de motivering van de ongewenstverklaring onvoldoende was omdat niet per geval was beoordeeld of verdachte een actueel gevaar voor de openbare orde vormde, zoals vereist door het EU-recht. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling wegens onjuiste toepassing van de Terugkeerrichtlijn.