Conclusie
middelklaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beslissing tot ongewenstverklaring die in deze zaak aan de orde is te toetsen aan Richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn) en de criteria die daar volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie uit voortvloeien. Het oordeel dat de ongewenstverklaring niet berust op een wettelijk voorschrift, op grond van welk oordeel het hof verdachte heeft vrijgesproken, zou niet zonder meer begrijpelijk zijn althans ontoereikend zijn gemotiveerd.
NJ2017/318, m.nt. Reijntjes volgt dat het cassatieberoep tegen één van die beide arresten inmiddels tot cassatie heeft geleid. [2] In de beide Amsterdamse strafzaken was de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn echter geen punt van discussie. Dat is het in deze zaak wel; in cassatie stelt het openbaar ministerie dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is. Zo bezien is het hof door de discussie ter terechtzitting mogelijk wat op het verkeerde been gezet. Van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van het openbaar ministerie waar het hof met zijn beslissing van is afgeweken blijkt niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Dat doet er vanzelfsprekend niet aan af dat naar aanleiding van het middel dient te worden onderzocht of het oordeel van het hof van een verkeerde rechtsopvatting getuigt en/of ontoereikend is gemotiveerd.
NJ2010/573 m.nt. Klip. In die zaak heeft Uw Raad overwogen dat de rechter bij strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 197 Sr Pro in voorkomende gevallen dient te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees Gemeenschapsrecht. In die strafzaak had de verdachte evenwel de Franse nationaliteit. De beschikking tot ongewenstverklaring was op 18 oktober 1996 genomen. En de beslissing van het hof werd door de Hoge Raad getoetst aan Richtlijn 64/221/EEG en Richtlijn 2004/38/EG, die de richtlijn uit 1964 inmiddels had vervangen. Laatstgenoemde richtlijn betreft ‘het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden’. Dat recht is hier niet aan de orde.
Stb. 239. Na het in werking treden van deze wet moest het gaan om een vreemdeling die ‘op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard’. Tijdens de parlementaire behandeling van deze wet wordt over de verandering van redactie van art. 197 Sr Pro op dit punt niet gesproken; dat doet vermoeden dat de betekenis van het bestanddeel dezelfde is gebleven. [15] De derde en meest recente inhoudelijke wijziging was het resultaat van de wet van 15 december 2011,
Stb.663. [16] Ook uit de parlementaire behandeling van deze wet blijkt niet van de bedoeling de interpretatie van de term ‘wettelijk voorschrift’ te veranderen. [17] Alleen al tegen deze achtergrond ligt het niet in de rede bepalingen uit de Vreemdelingencirculaire 2000 als wettelijke voorschriften in de zin van art. 197 Sr Pro aan te merken. De Vreemdelingencirculaire 2000 zelf wijst ook in die richting. De inleiding van Hoofdstuk A4 karakteriseert het navolgende als ‘beleidsregels’ die een ‘aanvulling op of een uitwerking van’ een aantal bepalingen uit de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 bevatten.
NJ2017/318, m.nt. Reijntjes leest Uw Raad in het bestreden arrest als oordeel van het hof dat voor de uitvaardiging van een dergelijk inreisverbod vereist is dat sprake dient te zijn ‘van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast’. Dat oordeel geeft volgens Uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Is het inreisverbod door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks er in beginsel evenwel aan in de weg ‘dat de strafrechter het verweer dat het inreisverbod in strijd is met het Unierecht, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken’ (rov. 3.4). Van zo’n bijzondere omstandigheid kan sprake zijn wanneer de strafrechter vaststelt dat de oplegging van het inreisverbod ‘evident in strijd’ is met het toetsingskader dat uit HvJ 11 juni 2015, zaak C-554/13, ECLI:EU:C:2015:377 voortvloeit (rov. 3.5).
NJ2010/573 m.nt. Klip een kader. Ook in die zaak had de verdachte niet de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen een ongewenstverklaring gevolgd. Het hof, dat de verdachte wegens handelen in strijd met art. 197 Sr Pro veroordeelde, stelde dat ‘de omstreden ongewenstverklaring niet dermate onbegrijpelijk (was), dat de formele rechtskracht van die verklaring in dit geval zou behoren te worden doorkruist’. Uw Raad overwoog in verband met dat oordeel: ‘Wat er zij van de juistheid van hetgeen het hof heeft overwogen omtrent de formele rechtskracht van de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie, het Hof heeft in de kern tot uitdrukking gebracht dat de Staatssecretaris – in aanmerking genomen het aantal, de aard en de ernst van de daarin vermelde strafrechtelijke veroordelingen – in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat de verdachte een gevaar vormde, en gelet op diens strafblad nog steeds vormt voor de openbare orde en de openbare rust, zodat hij op de voet van art. 21, eerste lid onder c, Vreemdelingenwet ongewenst kon worden verklaard’.