ECLI:NL:HR:2018:394

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
20 maart 2018
Zaaknummer
16/05436
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 261 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geldigheid dagvaarding bij diefstal met braak ondanks ongespecificeerde goederen

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake diefstal met braak op 3 december 2011 te Zevenbergschen Hoek. Verdachte werd ten laste gelegd dat hij in een woning goederen had weggenomen door middel van braak met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening.

Verdediging stelde dat de dagvaarding nietig was omdat de ontvreemde goederen niet concreet waren omschreven, waardoor onvoldoende duidelijk zou zijn waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de tenlastelegging, mede gelet op het dossier, voldoende feitelijk en duidelijk was.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Het hof had niet onjuist geoordeeld en had voldoende gemotiveerd dat de dagvaarding voldeed aan de eisen van artikel 261 Sv Pro. Het cassatieberoep faalde en werd verworpen. Hiermee bleef de geldigheid van de dagvaarding en de veroordeling in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de geldigheid van de dagvaarding werd bevestigd ondanks het ontbreken van een nadere omschrijving van de ontvreemde goederen.

Uitspraak

20 maart 2018
Strafkamer
nr. S 16/05436
VPe/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 april 2016, nummer 22/003076-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.2.1.
Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd dat:
"primair:
hij op of omstreeks 03 december 2011 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, om (ongeveer) 22.00/23.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [a-straat], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere goeder(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair:
hij op of omstreeks 03 december 2011 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, in elk geval in Nederland, een of meerdere goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof."
2.2.2.
Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 03 december 2011 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, in een woning gelegen aan de [a-straat], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere goederen, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak."
2.3.
Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Geldigheid van de dagvaarding
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat het onder 4 ten laste gelegde feit onvoldoende feitelijk is omschreven, nu de goederen die zouden zijn weggenomen niet nader gespecificeerd zijn, zodat niet duidelijk is waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen.
Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat de dagvaarding voor wat dit gedeelte betreft nietig is, overweegt het hof als volgt.
Het hof is van oordeel dat de omschrijving van het onder 4 ten laste gelegde voldoet aan de eisen van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De omschrijving van het feit is bezien tegen de achtergrond van het dossier voldoende duidelijk en feitelijk. De dagvaarding is daarom - en ook overigens - geldig."
2.4.
Het Hof heeft geoordeeld dat de tenlastelegging onder 4, ook wat betreft het in het verweer bedoelde onderdeel 'goederen', voldoende duidelijk en feitelijk omschreven is. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel van het Hof, dat daarbij de inhoud van het dossier heeft kunnen betrekken, is ook niet onbegrijpelijk en, mede gelet op het verweer - dat niet inhoudt dat onduidelijk is van welke inbraak de verdachte een verwijt wordt gemaakt, doch slechts dat de bij die inbraak ontvreemde goederen niet nader zijn omschreven -, toereikend gemotiveerd.
2.5.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 maart 2018.