Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het in hoger beroep door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.
NJ1992/251, waarin het ging om een vage plaatsaanduiding die evenwel gepaard ging met een hoge mate van concretisering van andere onderdelen van de tenlastelegging. [5] De vraag of sprake is van een voldoende mate van concretisering van het feit zal in deze benadering een beoordeling van de tenlastelegging als geheel vergen, waarbij de verschillende onderdelen in hun onderlinge samenhang worden bezien. Daarbij kunnen ook onderdelen van het dossier en de proceshouding van de verdediging gewicht in de schaal leggen. [6]
NJ2002/46. In die zaak was de tenlastelegging toegesneden op artikel 6 van Pro de (toenmalige) Wet toezicht effectenverkeer 1991, te weten het zonder vergunning als effectenbemiddelaar in Nederland diensten aanbieden of verrichten voor natuurlijke personen buiten een besloten kring. De raadsman bepleitte in hoger beroep dat de dagvaarding nietig zou worden verklaard ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede 'aan- en/of verkooptransacties met betrekking tot (vreemde) valuta's'. Hij voerde daartoe aan dat een dergelijke omschrijving te vaag dan wel te ruim is geformuleerd om in concreto vast te kunnen stellen op welke specifieke overeenkomst het openbaar ministerie het oog heeft gehad, laat staan om dergelijke valutatransacties te kunnen kwalificeren als effectentransacties. Het hof achtte de tenlastelegging tegen de achtergrond van het dossier, waaruit kort gezegd bleek op welke transacties het openbaar ministerie het oog had, voldoende concreet. Dit oordeel doorstond de toetsing in cassatie.
NJ2002/46. [8]
NJ2002/46, heeft het hof de vraag of de omschrijving van het feit voldoende feitelijk is, bezien tegen de achtergrond van het dossier. Het onder 4 ten laste gelegde betreft een woninginbraak op 3 december 2011 aan de [a-straat] te Zevenbergschen Hoek. De mede tot het bewijs gebezigde aangifte behelst dat de volgende goederen worden vermist naar aanleiding van de desbetreffende woninginbraak: een mobiele telefoon, merk Nokia, en twee herenhorloges, “analoog (wijzers)” (bewijsmiddel 2). Op de avond van de inbraak in de woning te Zevenbergschenhoek was ook sprake van een melding van een inbraak in een dierenkliniek in Prinsenbeek, omstreeks 21.25 uur. De aangever had een jongen in de kliniek zien lopen en gezien dat tegen het toegangshek een auto stond geparkeerd en dat bij de auto een zwarte tas stond. De aangever heeft de tas weggepakt en bij zijn auto gezet. De aangever zag dat de jongen over het toegangshek sprong en naar hem riep: “Ik wil mijn tas of ik sla je kop in”. Hierop is de jongen weggereden in de richting van de snelweg. De aangever heeft het kenteken doorgegeven aan de politiemeldkamer. De desbetreffende auto, die dezelfde avond gestolen bleek, werd omstreeks 22.46 uur door de politie opgemerkt en achtervolgd. De auto belandde in de sloot. De bestuurder, die de verdachte bleek te zijn, werd aangehouden. In de bij de dierenkliniek aangetroffen tas werden goederen aangetroffen die – naar het hof onbestreden heeft vastgesteld – afkomstig waren van de inbraak aan de woning in Zevenbergschenhoek. Uit de kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat het gaat om een telefoon van het merk Nokia 2310, een horloge met een witte wijzerplaat en een (ander) horloge (bewijsmiddel 5), terwijl de aangever van de desbetreffende woninginbraak had verklaard een mobiele telefoon van het merk Nokia en twee analoge herenhorloges te missen (bewijsmiddel 2).