Belanghebbende, een invalide persoon, had in 2008 en 2009 zijn woning aangepast voor een bedrag van €559.874,04, wat leidde tot een waardestijging van €75.000. Hij kreeg een tegemoetkoming van ruim €103.000 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten. In zijn belastingaangifte gaf hij een bedrag van €110.471 aan buitengewone uitgaven op, verdeeld met zijn echtgenote.
De Inspecteur stelde vragen over de kosten en stelde de aanslagen vast waarbij de aftrek werd beperkt tot €9.175. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat alle kosten medisch noodzakelijk waren en schatte de aftrekbare buitengewone uitgaven op €85.000. Het hof wees ook beroep op gelijkheids- en vertrouwensbeginsel af.
In cassatie stelde de Staatssecretaris dat het hof de bewijslast onjuist had verdeeld en onvoldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zonder vast te stellen in hoeverre belanghebbende in het bewijs was geslaagd, het bedrag in goede justitie had geschat, wat onjuist was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
Het incidentele beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad wees ook het verzoek om integrale proceskostenvergoeding af, omdat het hof geen bijzondere omstandigheden had gezien voor afwijking van het standaardbeleid. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.