ECLI:NL:HR:2018:408

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2018
Publicatiedatum
22 maart 2018
Zaaknummer
17/02791
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 3.151 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 3.152 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 6.2a Wet inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
6 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen 2004

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 mei 2017, waarin aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2004 waren bevestigd. Tevens stelde de Staatssecretaris van Financiën incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en het middel in beide beroepen, maar vond geen gronden die cassatie konden rechtvaardigen. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefden de klachten geen nadere motivering omdat zij niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad besloot geen proceskosten toe te wijzen en verklaarde beide beroepen ongegrond. Het arrest werd gewezen door vice-president G. de Groot als voorzitter en raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018.

Deze uitspraak bevestigt de uitspraak van het gerechtshof en sluit het geschil over de belastingaanslagen en navorderingsaanslagen over het jaar 2004 definitief af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het principale en incidentele cassatieberoep ongegrond.

Uitspraak

23 maart 2018
Nr. 17/02791
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 2 mei 2017, nrs. BK-15/00894, BK-15/00895 en BK-15/00896, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 10/8261, SGR 11/5410 en SGR 11/5402) betreffende de aan belanghebbende voor/over het jaar 2004 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet, en de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2004 gegeven beschikkingen als bedoeld in de artikelen 3.151, lid 1, 3.152, lid 1 en 6.2a, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel beroep naar voren gebracht.

2.Beoordeling van de klachten in het principale beroep

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep

Het middel in het incidenteel beroep kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018.