ECLI:NL:GHDHA:2022:1744
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake tijdigheid en juistheid van aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013 en 2014
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2013 en 2014 niet tijdig waren opgelegd, dat de hoorplicht was geschonden en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet waren nageleefd. Tevens werd betwist of het inkomen uit werk en woning juist was vastgesteld, met name of sprake was van ondernemerschap en of het voordeel uit sparen en beleggen correct was berekend.
De rechtbank had eerder de beroepen ongegrond verklaard, maar wel een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de aanslagen tijdig zijn opgelegd binnen de wettelijke termijnen, dat belanghebbende voldoende is gehoord en dat de motiveringen van de Inspecteur deugdelijk zijn. De onderneming van belanghebbende wordt erkend, maar de verliezen uit de vennootschappen onder firma worden terecht niet in aanmerking genomen.
Verder oordeelt het hof dat de correcties op de persoonsgebonden aftrek en de vermogensrendementsheffing terecht zijn vastgesteld, en dat de stelselmatige heffing van box 3 niet leidt tot een individuele en buitensporige last voor belanghebbende. Het gebruik van extrapolatie door de Inspecteur wordt toegestaan voor zover dit aansluit bij eerdere jurisprudentie. Het hof wijst het verzoek tot een hogere immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding af en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.