ECLI:NL:GHDHA:2022:1745
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake tijdigheid en vaststelling aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013 en 2014
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2013 en 2014 tijdig zijn opgelegd en correct zijn vastgesteld. Belanghebbende betwistte onder meer de tijdigheid van de aanslagen, de schending van de hoorplicht, de toepassing van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en de juistheid van de vastgestelde inkomens en persoonsgebonden aftrek (pga).
De rechtbank oordeelde dat de aanslagen tijdig zijn opgelegd, de hoorplicht niet is geschonden en dat de Inspecteur de aanslagen met voldoende motivering heeft vastgesteld. Tevens werd vastgesteld dat belanghebbende geen ondernemer is vanwege het langdurig lijden van verliezen en dat de pga correct is toegepast. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Gerechtshof bevestigde deze bevindingen en overwoog dat de Inspecteur terecht de verliezen uit onderneming niet in aanmerking heeft genomen, dat de vermogensrendementsheffing niet op stelselniveau in strijd is met het EVRM, en dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Ook werd geoordeeld dat de Inspecteur niet onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van extrapolatie en dat de proceskostenvergoeding niet toewijsbaar is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank stand houdt. De procedurekosten werden niet toegewezen en het griffierecht werd niet vergoed. De uitspraak is op 18 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.