Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2016, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland behandelde. De zaak betrof beschikkingen als bedoeld in artikel 3.156, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst tot 1 mei 2016).
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en de Advocaat-Generaal concludeerde op 15 december 2017 tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 30 maart 2018 in het openbaar uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van M.A. Fierstra.