Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
Het verlenen van 24-uurs verpleging en begeleiding thuis aan mensen met een PGB en particulier”.
praktijk verpleegkunde zonder AWBZ naturazorg”.
zelfstandige zorgverlener in de zorg” (2013) en “
praktijk verpleegkunde zonder AWBZ naturazorg” (2014). Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende de vraag of hij facturen verstuurt, bevestigend beantwoord. De vraag of belanghebbende de VAR-werkzaamheden meestal zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand anders kan laten uitvoeren, heeft belanghebbende bevestigend beantwoord. Daarnaast heeft belanghebbende vermeld dat hij zeven of meer opdrachtgevers heeft. Met dagtekening 3 september 2012 heeft de Inspecteur een VAR-wuo voor het jaar 2013 verstrekt en met dagtekening 2 september 2013 een VAR-wuo voor het jaar 2014.
“(AWBZ) zorg rechtstreeks zonder tussenkomst van zorgaanbieders en bemiddelingsbureaus’’.Met dagtekening 5 juni 2014 heeft de Inspecteur daarnaast aan belanghebbende voor het jaar 2014 een VAR WUO verstrekt voor de door belanghebbende te verrichten AWBZ-zorg op basis van deelname aan de zogenaamde ZZP-pilot. Dat betreft AWBZ-zorg in natura waarvoor belanghebbende een machtiging heeft verkregen deze voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid aan te bieden.
1 Zorgafspraken
ZZP-overeenkomst” gesloten, waarin belanghebbende is aangeduid als opdrachtnemer en [F] als opdrachtgever. Hierin is onder meer het volgende bepaald:
).Gelet op met name deze (…), op het (…) wettelijke kader gebaseerde, overeenkomst opgenomen verantwoordelijkheden van de zorgaanbieder voor de bij hem werkzame zorgverleners en de (kwaliteits)eisen waaraan deze zorgverleners moeten voldoen, acht de rechtbank het niet goed voorstelbaar dat de zorgaanbieder de voor hem werkzame zorgverleners volledig naar eigen inzicht hun werkzaamheden laat verrichten, zonder dat hij daartoe bindende aanwijzingen en instructies geeft en zonder dat hij erop toeziet dat de zorgverleners zich hieraan houden.
.Teneinde de zorgverleners overeenkomstig dit beleid te laten werken, zal de zorgaanbieder hen immers moeten instrueren en daarnaast er op moeten toezien dat de gegeven instructies worden opgevolgd. Dat de zorgaanbieder de regie voert over de te verlenen zorg en de verantwoording draagt voor de bij hem werkzame zorgverleners en de (kwaliteits)eisen waaraan deze zorgverleners moeten voldoen, volgt naar het oordeel van de rechtbank daarnaast uit de (…) overeenkomst tussen de zorgaanbieder en de zorgbehoevenden en de daarbij behorende (…) algemene voorwaarden. De gevolgtrekking dat de zorgaanbieder de zorgverleners hierbij aanwijzingen en instructies geeft en toeziet op de naleving hiervan, wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de (…) richtlijnen voor de medewerkers. Dit volgt eveneens uit de wervingstekst voor een nieuwe teamleider op de website van [E] (…), nu hierin staat dat bij het verlenen van zorg onder leiding van een teamleider in teams wordt gewerkt. Verder ligt het binnen de verhouding zorgaanbieder en zorgverlener voor de hand dat er aanwijzingen en opdrachten in het kader van de uitvoering van de werkzaamheden van de zorgverlener zullen worden gegeven, gezien het belang dat met die werkzaamheden is gemoeid - de zorg is immers van essentieel belang voor het welzijn van de zorgvragers - en het feit dat de werkzaamheden structureel een zeer wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van de zorgaanbieder.
.In de (…) overeenkomst wordt deze voorwaarde niet gesteld. Maar bedacht moet worden dat de zorgaanbieder volledig verantwoordelijk en aansprakelijk is en blijft voor alle aspecten van de door de ingeschakelde derde geleverde zorg. De zorgaanbieder is verplicht het zorgkantoor van de gegevens van die ingeschakelde derde partij op de hoogte te stellen en het zorgkantoor te informeren over hoe de kwaliteit van zorg is gewaarborgd (…). Het zorgkantoor heeft bovendien het recht om de door de zorgaanbieder ingeschakelde derde te weigeren. De bevoegdheid van de zorgaanbieder om bij de zorgverlening een derde in te schakelen, doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet af aan hetgeen de rechtbank bij 6.4 tot en met 6.7 heeft overwogen.
(…) Hoewel eiser hierbij zijn eigen verantwoordelijkheden heeft, blijft de eindverantwoordelijkheid bij de zorgaanbieder. De rechtbank gaat voorbij aan de door eiser met [F] gesloten “
ZZP-overeenkomst” (…), nu met name artikel 2.3 van die overeenkomst niet strookt met het (…) wettelijke kader en de daarop gebaseerde overeenkomsten tussen de het zorgkantoor en de zorgaanbieder enerzijds (…) en de zorgaanbieder en de zorgbehoevenden anderzijds (…). Ook gelet op de website van [F] (…) vermelde kwaliteitseisen, acht de rechtbank het ondenkbaar dat er geen sprake was van toezicht of leiding van [F] . Dat [F] de verantwoording droeg voor eisers werkzaamheden volgt naar het oordeel ook uit het “
Klachtenreglement [F] ”(…). Klachten over eisers gedragingen en/of uitlatingen dienen volgens dit Klachtenreglement, dat ten behoeve van [F] is ingesteld, namelijk niet bij eiser te worden ingediend, maar bij een door [F] ingestelde klachtbemiddelaar of klachtencommissie. De rechtbank verwijst hierbij ook naar artikel 33 van Pro de algemene voorwaarden, behorende bij de zorgovereenkomst die [E] sluit met zorgbehoevenden (…), waaruit ook volgt dat klachten niet bij eiser dienen te worden ingediend, maar bij [E] . De rechtbank passeert eveneens de door eiser met [J] B.V. gesloten
“Bemiddelingsovereenkomst”, (…), omdat met name artikel 1, eerste lid, van die bemiddelingsovereenkomst afwijkt van het (…) wettelijke kader, dat in de weg staat aan het rechtstreeks leveren van AWBZ-zorg in natura aan zorgbehoevenden. Dat de
AWBZ-zorg, anders dan deze bemiddelingsovereenkomst doet vermoeden, in werkelijkheid niet rechtstreeks door eiser wordt geleverd, wordt bevestigd door de website van [K] ( [J] B.V.), nu hierop staat vermeld dat [L] de officiële aanbieder van deze zorg is (…). Verder betekent de omstandigheid dat eiser (medisch) aansprakelijk zou zijn voor alle uit de door hem te verrichten werkzaamheden voortvloeiende schade en hij hiervoor een verzekering zou hebben afgesloten naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser daarmee ook (eind)verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de te leveren zorg.
“Overzicht honorarium en kosten [K] / [N]”, nu eiser geen stukken heeft overgelegd, waaruit volgt dat [N] namens eiser rechtstreeks aan de desbetreffende zorgbehoevenden heeft gefactureerd. Uit de bijgevoegde urenstaten valt veeleer op te maken dat de desbetreffende zorgaanbieder eiser via [N] na het indienen van zijn urenverantwoording heeft betaald voor zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hierbij feitelijk nagenoeg geen ondernemers- en/of debiteurenrisico voor. Immers, voor de door eiser te verrichten werkzaamheden is reeds op voorhand een budget vastgesteld en beschikbaar, dat wordt beheerd door het zorgkantoor, zodat moet worden aangenomen dat de zorgaanbieder eiser hieruit betaalt. Het risico dat eiser loopt om geen vergoeding voor zijn werkzaamheden te ontvangen is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk niet anders dan het risico dat een werknemer loopt op het niet uitbetaald krijgen van loon. Ook risico op het uitblijven van voldoende inkomsten bij geen of te weinig werkaanbod dan wel bij ziekte of vakantie kan niet worden aangemerkt als ondernemersrisico, nu een oproep-/uitzendkracht eenzelfde risico loopt.
3.Het geding in cassatie
4.Zelfstandige (ondernemer) zonder personeel en de verklaring arbeidsrelatie
Zelfstandige zonder personeel
feitelijke vormgeving van de arbeidsrelatie in de praktijkde maatstaf blijft om te toetsen of er sprake is van werknemer- dan wel ondernemerschap. Dit brengt met zich mee dat controles achteraf op deze feiten en omstandigheden, en daarmee de kans op een ander oordeel achteraf, een noodzakelijk onderdeel blijven van het systeem. Dat neemt niet weg dat er maatregelen kunnen worden genomen om het achterliggende doel van de wens om tot een eenduidige definitie voor zzp’ers te komen en het voorstel van de SER, te weten het reduceren van onzekerheid, dichterbij te brengen. Er valt veel te verbeteren aan de eenduidige en transparante uitleg van de begrippen ‘ondernemer’ en ‘werknemer’ in de praktijk. Hierop zet het kabinet dan ook in.
1 januari 2018. [48] Ook heeft de staatssecretaris van Financiën gesprekken gevoerd met bedrijven, zzp’ers en hun belangenorganisaties. Dit heeft tot de volgende bevindingen geleid: [49]
5.Belastbaar inkomen uit werk en wonen
BNB2009/219 oordeelde de Hoge Raad over een belanghebbende die een vijftal commissariaten had vervuld en kosten had gemaakt (bestaande uit de huur van een kantoorruimte en een secretaresse). [57] In geschil was of de beloningen uit hoofde van de commissariaten moesten worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking (standpunt inspecteur) of als winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (standpunt belanghebbende). De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat sprake was van winst uit onderneming en overwoog daartoe als volgt:
ondernemerdie aan het
urencriteriumvoldoet.
ondernemers-natuurlijke personen. Evenals dat bij de tariefverlaging vennootschapsbelasting tot 43% in 1984 het geval was heeft deze maatregel de vorm van een verhoging van de aftrekbedragen van de zelfstandigenaftrek. Ons voorstel houdt een verhoging in van de zelfstandigenaftrek met f 350 voor lagere en middelgrote winsten en met f 450 voor hogere winsten. Daarmee is enerzijds rekening gehouden met het theoretische inzicht dat, waar het gaat om een vertaling van een tariefverlaging vennootschapsbelasting in een belastingverlichting in de inkomstenbelasting voor zelfstandigen, de omvang van de aftrek zou moeten toenemen met de omvang van de winst en anderzijds met de wens om ook genieters van lage en middelgrote winsten te doen delen in de hiervoor beschikbare middelen. (…).
BNB2009/22 over de ratio van de zelfstandigenaftrek geschreven: [71]
BNB2009/22 overwogen dat de zelfstandigenaftrek aanknoopt bij de aard van de activiteit van de ondernemer en niet bij de persoonlijke situatie: [72]
ondernemergeniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4).
ondernemerkunnen worden aangemerkt en die tevens voldoen aan het
urencriterium. (…) In de praktijk gaat het dus om de groep mensen die ten minste ongeveer 25 uur per week in hun onderneming werkzaam zijn, kortom belastingplichtigen die een reëel ondernemersrisico lopen en voor wie ondernemen de belangrijkste bezigheid en inkomstenbron zal zijn. De keuze voor deze groep is ingegeven door de overweging dat een zelfstandige ondernemer geconfronteerd kan worden met soms grote omzetschommelingen, terwijl een groot deel van zijn kosten vaak het karakter van vaste kosten en lasten zal hebben (kosten en lasten die voortvloeien uit investeringen in bedrijfsmiddelen). Hierdoor kan een omzetvermindering tot een sterke terugval in het inkomen van de zelfstandige leiden. Juist die ‹echte› ondernemers zullen te maken krijgen met de grondslagverbredende maatregelen in de sfeer van het beperken van afschrijvingen op onroerende zaken en de mogelijkheden van verliesverrekening. Het effect van deze maatregelen is namelijk gerelateerd aan de investeringen in bedrijfsmiddelen en aan de schommelingen in de bedrijfsresultaten. Een ondernemer die
nietvoldoet aan het urencriterium zal doorgaans op andere wijze in zijn voor consumptie benodigde inkomen kunnen voorzien, hij spendeert immers slechts een relatief bescheiden deel van zijn beschikbare tijd in de onderneming. (…) Het resultaat uit overige werkzaamheden (bijvoorbeeld het inkomen van een freelancer) vloeit, anders dan winst uit onderneming, niet voort uit een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid. Daardoor spelen vaste kosten en lasten die samenhangen met de ingezette bedrijfsmiddelen en schommelingen in de bedrijfsresultaten een minder prominente rol. De inkomsten van de freelancer hebben in feite het karakter van inkomsten uit arbeid. Niet voor niets heeft hij de mogelijkheid om te kiezen voor toepassing van de regels van de loonbelasting (
‹opting in›).
BNB1992/78 heeft de Hoge Raad overwogen dat de mogelijkheid om aanwijzingen te geven aan een fotomodel onvoldoende is voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding: [81]
BNB1997/97 blijkt dat een opdrachtgever ook bij een overeenkomst van opdracht veelal bevoegd zal zijn binnen het kader van die overeenkomst nadere aanwijzingen te geven: [82]
BNB2006/285 heeft de Hoge Raad overwogen dat niet de op papier gesloten arbeidsovereenkomsten maar de werkelijke bedoeling van partijen, zoals kan worden afgeleid van de naar buiten blijkende omstandigheden, beslissend is: [83]
BNB2011/205 (ook bekend als het Gouden-Kooi arrest) heeft de Hoge Raad zich voor de uitleg van het begrip ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ voor de werknemersverzekeringen aangesloten bij civielrechtelijke jurisprudentie (de arresten Groen/Schoevers [84] en Thuiszorg Rotterdam/PGGM [85] ). De Hoge Raad oordeelde in dit arrest als volgt: [86]
BNB2012/129 was in geschil of tussen de aandeelhouders van een notariskantoor en het notariskantoor een gezagsverhouding bestond en daarmee of voor de toepassing van de werknemersverzekeringswetten sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Hoge Raad overwoog in dit arrest als volgt: [87]
6.Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?
in dienst’ wordt als regel gelijkgesteld met de aanwezigheid van een gezagsverhouding. Zo noemt de Hoge Raad de gezagsverhouding kenmerkend voor de arbeidsovereenkomst. Van belang is daarbij bijvoorbeeld of de werkgever de werknemer kan ontslaan, HR 14 juni 1991, NJ 1992/173 (Kruis/Christelijk Gereformeerde Kerk). Het begrip ‘gezagsverhouding’ wordt tegenwoordig echter niet meer zo opgevat dat bepalend is of de werkgever daadwerkelijk aanwijzingen geeft. Reeds het hebben van de bevoegdheid om aanwijzingen te geven is voldoende. In geval van twijfel wordt de aanwezigheid van een gezagsverhouding beoordeeld door een afweging van verschillende factoren, zoals de vraag of de arbeid binnen een organisatorisch verband wordt verricht, of de arbeid een duurzaam of incidenteel karakter heeft, voor wiens risico het werk wordt gedaan, of de werkgever sociale premies en loonbelasting inhoudt, of degene die werkt BTW afdraagt, of deze vakantiedagen krijgt en andere aan het werknemerschap verbonden rechten geniet. Is geen gezagsverhouding aanwezig, dan wordt een overeenkomst om arbeid tegen loon te verrichten beschouwd als een van opdracht. Enigszins verwarrend is dat art. 7:402 BW Pro ook de opdrachtnemer verplicht om gevolg te geven aan de aanwijzingen van de opdrachtgever omtrent de uitvoering. Het verschil is dan dat de opdracht een specifieke opdracht betreft, terwijl de arbeidsovereenkomst een in beginsel onbepaalde inhoud heeft, die tijdens de arbeidsverhouding nader wordt ingevuld. De gezagsverhouding van de arbeidsovereenkomst brengt derhalve een veel omvangrijker aanwijzings- of instructiebevoegdheid van de werkgever mee. (…)
arbeid’ kan zowel lichamelijk als geestelijk van aard zijn. Het begrip ‘arbeid’ dient ruim te worden opgevat. Zelfs slapen kan als arbeid worden aangemerkt als de werkgever daar nut in ziet en het daarom met de werknemer afspreekt, HR 15 maart 1991, NJ 1991/417 (Jebliouazzani/Casa Migrantes). Zelfs indien is overeengekomen dat de werknemer slechts aanwezig dient te zijn, maar ter plekke geen activiteiten hoeft te verrichten, bijvoorbeeld bij een bewakingsfunctie of wachtdienst, wordt dit als ‘arbeid’ aangemerkt. Dat slaapdiensten ook arbeid kunnen vormen betekent overigens niet dat voor dergelijke diensten recht bestaat op eenzelfde beloning als voor diensten overdag, (…). Wel moet het de bedoeling zijn dat er arbeid wordt verricht. Zo is een overeenkomst dat alimentatie na een echtscheiding wordt betaald in de vorm van een arbeidsovereenkomst, waarbij van meet af aan duidelijk is dat er niet behoeft te worden gewerkt geen arbeidsovereenkomst, omdat (naast het element gezag ook) het element arbeid ontbreekt, HR 10 oktober 2003, NJ 2007/446, JAR 2003/263 (Van der Male/Den Hoedt). De tussen partijen gesloten overeenkomst of de van toepassing zijnde cao dient aan te geven welke arbeid bedongen is en gedurende welke tijd. Wat de te vervullen functie precies inhoudt, is vaak moeilijk af te spreken, zeker als de overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan. Volgens het oude art. 1639 BW Pro kon het gebruik in het vak van de werknemer of in het bedrijf of in de bedrijfstak dan beslissend zijn voor de vraag of bepaalde werkzaamheden mogen worden gevergd. De Vaststellingswet titel 7.10 heeft deze verwijzing naar het gebruik laten vervallen. Van de werknemer wordt nu verwacht dat hij flexibel is en zich aanpast aan veranderingen in het productieproces.
Art. 7:660 BW Pro biedt de mogelijkheid de arbeidsinhoud tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst nader in te vullen. De werkgever heeft de bevoegdheid met inachtneming van de redelijkheid en de billijkheid de arbeid nader te bepalen,(…).
loon’ wordt gedoeld op de overeengekomen tegenprestatie voor de arbeid.
JAR2001/217 (Bethesda/Van der Vlies). (…)
7.Feitenrechtspraak over de arbeidsrelatie van (thuis)zorgmedewerkers
8.Behandeling van de middelen
artikel 7:610 BW Pro en niet als overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW Pro. [137] Volgens belanghebbende heeft het Hof zich bij dit oordeel laten leiden door de gedachte dat een overeenkomst die kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst, uitsluitend een arbeidsovereenkomst kan zijn. Het Hof heeft volgens hem daarmee het uitgangspunt van de contractsvrijheid miskend. [138]
BNB2012/129 gaat ook de belastingkamer van de Hoge Raad hiervan uit. [143] Anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, heeft het Hof wel degelijk rekening gehouden met de drie kenmerken in samenhang en andere omstandigheden. [144]
anders dan op grond van een arbeidsovereenkomstwerkzaamheden te verrichten (…).” [147]
opt-outregeling voor de loonheffingen zijn. En in het middensegment zal gebruik worden gemaakt van een opdrachtgeversverklaring die door de opdrachtgever wordt ingevuld. [161]
BNB1992/370 [172] geoordeeld dat van de zelfstandige uitoefening van een beroep sprake is indien de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening worden verricht en daarbij een ondernemersrisico wordt gelopen. Of een ondernemersrisico zich voordoet dient, onder andere, te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of een belastingplichtige voor de verwerving van opbrengsten afhankelijk is van het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten.