Conclusie
Nummer19/05471 CW
Inleiding
De zaak en het vonnis
3.4.1.3.2. Toegang tot de iPhone
Het juridisch kader
Relevante bepalingen
(…)
“1. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan indien toepassing is gegeven aan artikel 125i of artikel 125j tot degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van beveiliging van een geautomatiseerd werk, het bevel worden gericht toegang te verschaffen tot de aanwezige geautomatiseerde werken of delen daarvan. Degeen tot wie het bevel is gericht, dient desgevraagd hieraan gevolg te geven door de kennis omtrent de beveiliging ter beschikking te stellen.
Juridische grondslag
NJ2004/594 overwoog de Hoge Raad dat de uitoefening van het dwangmiddel van inbeslagneming kan inhouden dat desnoods met toepassing van proportioneel geweld handelingen worden verricht die strekken tot het in de zin van art. 134, eerste lid, Sv onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen ten behoeve van de strafvordering. De uitgeoefende bevoegdheid tot inbeslagneming omvatte daarom in die zaak mede het tegen de wil van de betrokkene en met proportioneel geweld openen van diens vuist. Gewezen kan in dit verband ook worden op rechtspraak over het zogenoemde ‘strotten’ om te voorkomen dat een verdachte bolletjes verdovende middelen doorslikt. In de zaak die leidde tot HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1966,
NJ2020/238, m.nt. Reijntjes had het hof het verweer dat strotten een vormverzuim opleverde, besproken in het licht van de taakuitoefening door de politie en de plicht om op grond van art. 7, eerste lid, Politiewet 2012 ook gevaren voor de verdachte zelf af te wenden. Naar het oordeel van de Hoge Raad lag in de vaststellingen van het hof besloten dat met het optreden van de verbalisant dat bestond uit het naar de keel grijpen en het gelijktijdig bevelen de zich in de mond bevindende voorwerpen uit te spugen, niet alleen werd beoogd het gevaar af te wenden dat het doorslikken van die voorwerpen voor de verdachte kon hebben, maar tevens uitvoering werd gegeven aan de in art. 9, derde lid, Opiumwet neergelegde bevoegdheden tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en het daartoe geven van een vordering tot uitlevering. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het hof tevens tot uitdrukking had gebracht dat het toegepaste geweld proportioneel en subsidiair was, getuigde het oordeel van het hof dat geen vormverzuim had plaatsgevonden volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onbegrijpelijk.
Voorstellen tot regelgeving
-beginsel. [15] Daarbij nam de Raad van State in aanmerking dat de in het voorstel op het niet voldoen aan het bevel gestelde straf (een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren) een aanzienlijke mate van dwang zou opleveren. [16]
-beginsel. [18]
-beginsel hoeft volgens de commissie niet in de weg te staan aan een bevel verdachten mee te laten werken aan biometrische toegangsverschaffing. [19] De Commissie-Koops acht een bevel tot medewerking aan biometrische ontsluiting aan verdachten echter niet nodig en onwenselijk, omdat op de weigering ingevolge art. 184 Sr Pro een gevangenisstraf van drie maanden is gesteld en deze dreiging verdachten er niet altijd toe zal zetten mee te werken. Het gedwongen dulden van biometrische ontsluiting vormt volgens haar een beter alternatief en behelst slechts een relatief lichte inbreuk op de lichamelijke integriteit. De Commissie adviseerde daarom in de wet een bevoegdheid van de officier van justitie op te nemen om te bevelen toegang tot een biometrisch beveiligd geautomatiseerd werk of digitale gegevensdrager te verschaffen, met een duldplicht voor zowel verdachten als niet-verdachten. [20] Weliswaar is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte in potentie groot (afhankelijk van wat op de gegevensdrager wordt aangetroffen), maar de legitimatie van die inbreuk ligt in de bevoegdheden tot doorzoeking van de gegevensdrager en staat los van de ‘nemo tenetur’
-problematiek, aldus de Commissie-Koops. [21]
Het ‘nemo tenetur’-beginsel
Inleiding
-beginsel behelst het recht van de verdachte gevrijwaard te blijven van gedwongen zelfbeschuldiging. [24] Een onvoorwaardelijk recht of beginsel dat een verdachte op generlei wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal kent het Nederlands recht niet. [25] Wel bepaalt art. 29, eerste lid, Sv dat de verhorende ambtenaar zich van alles onthoudt wat de strekking heeft een verklaring te krijgen waarvan niet kan worden gezegd dat deze in vrijheid is verkregen. Ook is in onder meer art. 96a, tweede lid, Sv bepaald dat bevelen tot uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen niet aan de verdachte worden gegeven. [26]
-beginsel in hun onderlinge samenhang. Het EHRM stelt voorop dat “the right to silence and the right not to incriminate oneself are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6”. [27] In het onderstaande zal de rechtspraak van het EHRM in dit verband worden verkend.
Nemo tenetur in de rechtspraak van het EHRM
-beginsel geen sprake is. [29] Het beginsel beschermt tegen ongeoorloofde dwang. Daarmee kan het beginsel de deugdelijkheid van de bewijsvoering bevorderen. Te denken valt aan het voorkomen van een valse bekentenis die tot stand komt onder invloed van uitgeoefende dwang. Daarnaast wordt met het beginsel de procesautonomie van de verdachte beklemtoond: de verdachte is een autonome procespartij die zelf zijn procespositie moet kunnen bepalen. Ten slotte kan het beginsel in verband worden gebracht met het respecteren van de menselijke waardigheid en vrijheid. [30]
-beginsel is volgens de rechtspraak van het EHRM niet absoluut. Niet elk gebruik van directe dwang om van de verdachte bewijs te verkrijgen resulteert in een schending van art. 6 EVRM Pro. [31] Bij de beoordeling of ten gevolge van de op de betrokkene uitgeoefende dwang het ‘nemo tenetur’-beginsel in de kern is geschonden, concentreert het EHRM zich “on the nature and degree of compulsion used to obtain the evidence, the existence of any relevant safeguards in the procedure, and the use to which any material so obtained was put.” [32]
Saunders tegen het Verenigd Koninkrijkoverwoog de Grote Kamer van het EHRM in dat verband als volgt:
Jalloh tegen Duitslandlaat zien dat de in het
Saunders-arrest aangebrachte beperking op het toepassingsbereik moet worden genuanceerd.
Saundersvoorop dat het beginsel “is commonly understood (…) to be primarily concerned with respecting the will of the defendant to remain silent in the face of questioning and not to be compelled to provide a statement.” [35] Vervolgens wijst de Grote Kamer er evenwel op dat het Hof bij gelegenheid in eerdere uitspraken aan het principe een “broader meaning” heeft gegeven om ook gevallen te omvatten waarin de verdachte werd gedwongen om “real evidence” aan de autoriteiten te overhandigen. Het Hof verwijst in dat verband naar zijn uitspraken in de zaken
Funke tegen Frankrijken
J.B. tegen Zwitserland,waarin de verdachte werd gedwongen documenten over te dragen die hem zouden kunnen belasten. Aansluitend overweegt het Hof dat het van Jalloh met behulp van braakmiddel afgedwongen bewijsmateriaal zou kunnen worden beschouwd als materiaal dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat, “the use of which is generally not prohibited in criminal proceedings” (par. 112-113). De Grote Kamer wijst op drie verschillen die de zaak van Jalloh onderscheiden van de opsomming van wilsonafhankelijk materiaal (documenten, adem, bloed, urine, DNA-materiaal) waaraan het EHRM in het
Saunders-arrest refereerde. Ten eerste ziet het EHRM een overeenkomst met de gang van zaken in de zaken
Funkeen
J.B., die erin bestaat dat “real evidence” is verkregen tegen de wil van de klager in plaats van materiaal dat gebruikt wordt in het kader van forensisch onderzoek met het oog op onderzoek naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van alcohol of drugs (par. 113). Daarnaast acht het Hof van belang dat de mate van geweld die is gebruikt aanzienlijk verschilde van de mate van dwang die normaliter is vereist om de typen materiaal te verkrijgen die in het
Saunders-arrest van het toepassingsbereik van het ‘nemo tenetur’-beginsel waren uitgezonderd (par. 114)
.Ten derde acht het EHRM van belang dat de procedure waarmee het materiaal van Jalloh was verkregen in strijd was met art. 3 EVRM Pro en daarmee “in striking contrast” met bijvoorbeeld een ademanalyse of een bloedproef (par. 115). Het EHRM acht het ‘nemo tenetur’-beginsel in de zaak
Jallohvan toepassing (par. 116). [36] Vervolgens constateert het Europese Hof aan de hand van de eerder genoemde factoren een schending van art. 6 EVRM Pro. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de aard en mate van dwang dusdanig waren geweest dat art. 3 EVRM Pro was geschonden, dat het publieke belang de inbreuk op de fysieke en mentale integriteit niet kon rechtvaardigen, dat de klager de procedure had ondergaan zonder dat van tevoren goed was onderzocht of hij deze (fysiek) kon verdragen en dat het verkregen bewijs beslissend was voor de veroordeling van de klager (par. 117-121).
O’Halloran en Francis tegen het Verenigd Koninkrijkheeft de Grote Kamer van het EHRM de scherpte en het belang van het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal gerelativeerd
:
Funke tegen Frankrijkwas sprake van een boete wegens het niet verstrekken van documenten (bankafschriften) door een verdachte, terwijl de autoriteiten niet zeker wisten of deze documenten bestonden. Het Hof overwoog:
J.B. tegen Zwitserland, waarin de autoriteiten J.B. herhaaldelijk hadden verzocht documenten te overhandigen die betrekking hadden op de bedrijven waarin hij geld had geïnvesteerd. J.B. was meermalen beboet omdat hij niet aan de vorderingen voldeed. Het Hof overwoog dat “while it is not for the Court to speculate as to what the nature of such information would have been, the applicant could not exclude that, if it transpired from these documents that he had received additional income which had not been taxed, he might be charged with the offence of tax evasion”. [39] Het Hof overwoog onder verwijzing naar de Saunders-uitspraak voorts dat “the present case does not involve material (…) which, like that considered in Saunders, has an existence independent of the person concerned and is not, therefore, obtained by means of coercion and in defiance of the will of that person”. [40] In beide zaken werd een inspanning van de betrokkene gevraagd die kon worden gezien als het verklaren over het bestaan van – in beginsel wilsonafhankelijke – informatie of op het zodanig ordenen van dergelijke informatie, dat daarmee een belastende lezing kon ontstaan. [41]
Chambaz tegen Zwitserland [42] was een belastingaanslag opgelegd vanwege de groei van het vermogen van Chambaz, die niet kon worden verklaard aan de hand van de door hem verstrekte gegevens. Toen Chambaz tegen deze aanslag bezwaar maakte, werd hij in het kader van die procedure verplicht nadere informatie, waaronder bankafschriften, te overhandigen. Hij weigerde die gegevens te verstrekken, waarop boetes werden opgelegd. Die boetes bleven in stand, ook nadat een onderzoek naar belastingontduiking was gestart. Het EHRM nam een schending van art. 6 EVRM Pro aan en nam daarbij in aanmerking dat Chambaz onder druk was gezet om documenten te overhandigen die informatie over zijn inkomen en/of vermogen zouden bieden, terwijl hij niet kon uitsluiten dat die informatie zou worden gebruikt om hem te beschuldigen van belastingontduiking. De bestuurlijke boeten bleven in stand toen het onderzoek naar belastingontduiking al geruime tijd liep. Het Hof wees er voorts op dat nieuwe Zwitserse wetgeving voorzag in een verbod om in een fiscale procedure verkregen informatie te gebruiken in een onderzoek naar belastingontduiking en dat Chambaz zich gedurende de gehele procedure had beroepen op zijn zwijgrecht.
Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijkbenadrukt dat het ‘nemo tenetur’-beginsel niet beschermt tegen het afleggen van belastende verklaringen als zodanig, maar tegen het verkrijgen van bewijsmateriaal door middel van “coercion or oppression”. De aard en mate van dwang zijn relevante factoren. De Grote Kamer overweegt vervolgens:
Chambazverschillen de meningen. [44] Ik volsta met het weergeven van twee afwijkende meningen. Zeeman leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat na het bestaan van een verdenking geen verplichting meer bestaat om actief mee te werken aan de vordering tot het uitleveren van ‘real evidence’. Als er toch – in het kader van regulier toezicht – ‘real evidence’ wordt gevorderd, moet volgens Zeeman worden gegarandeerd dat dit materiaal van de boeteprocedure wordt uitgesloten. [45] Volgens Van Toor ligt het meer voor de hand dat het EHRM het onderscheid uit Saunders tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal niet als beslissend beschouwt, maar als een belangrijke factor in de beoordeling of de toegepaste aard en mate van dwang nog geoorloofd is. Wanneer het om wilsonafhankelijk materiaal gaat, ziet hij in de Straatsburgse rechtspraak meer ruimte om de verdachte te dwingen aan de verkrijging daarvan mee te werken. [46] Die uitleg acht ik plausibel. Uit de bespreking van de rechtspraak van het EHRM na
Saundersvolgt dat het uitgangspunt dat in dit arrest wordt geformuleerd nadien wel is genuanceerd, maar niet is verlaten.
Nemo tenetur in de rechtspraak van de Hoge Raad
Saunders-arrest kent de Hoge Raad in zijn rechtspraak over
nemo teneturveel gewicht toe aan het in die uitspraak te lezen onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal. [47] In HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640,
NJ2013/435 m.nt. Zwemmer overwoog de belastingkamer van de Hoge Raad als volgt:
NJ2003/354 (J.B. tegen Zwitserland)), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.
NJ2015/265 m.nt. Zwemmer (KB-Lux) overwoog de Hoge Raad in dit verband: [50]
Saunders-arrest gemaakte verschil tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal doorslaggevend achtte. [52] In een zaak uit 2006 waren bedrijfsafvalwaterrapportages door de verdachte verstrekt en verzameld toen jegens haar nog geen sprake was van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde het gebruik van die gegevens als bewijsmateriaal in de strafzaak niet in strijd met art. 6, eerste lid, van het EVRM. De Hoge Raad verwijst ook in dit verband naar de uitspraak van het EHRM in de zaak
Saunders. [53]
Saunderste lezen onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal aldus een centrale plaats in. De “broader meaning” van het beginsel, zoals die onder meer blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak
Jalloh,en waarin ook de verkrijging onder dwang van ‘real evidence’ een zekere bescherming geniet, is in de rechtspraak van de Hoge Raad tot op heden op de achtergrond gebleven.
Jallohblijkt dat ook ingeval ten aanzien van wilsonafhankelijk materiaal dwang wordt toegepast onder omstandigheden sprake kan zijn van strijd met het ‘nemo tenetur’-beginsel. Daarbij moet evenwel worden bedacht dat het in die zaak ging om een dusdanig ingrijpende mate van dwang, dat het EHRM een schending van art. 3 EVRM Pro vaststelde. Die situatie zette het EHRM af tegen de voorbeelden die in het Saunders-arrest werden genoemd van het verkrijgen van wilsonafhankelijk materiaal waarbij het ‘nemo tenetur’-beginsel niet van toepassing werd geacht (“documents acquired pursuant to a warrant, breath, blood and urine samples and bodily tissue for the purpose of DNA testing”). De aard van het materiaal en de mate van dwang die in de onderhavige zaak is uitgeoefend om dat te verkrijgen, vertonen meer gelijkenis met de voorbeelden die het EHRM in het arrest
Saundersnoemt dan met de situatie die zich in
Jallohvoordeed. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vingerafdruk met een zeer geringe mate van dwang is verkregen en dat (uiteindelijk) geen geweld is toegepast bij het plaatsen van de vinger van de verdachte op het beeldscherm van de smartphone, al moet daarbij wel de kanttekening worden geplaatst dat de verdachte daartoe is geboeid.
Funke, J.B.en
Chambaz,waarin van de verdachte onder bedreiging van een bestraffende sanctie werd gevorderd dat hij zelf informatie aan de autoriteiten zou verstrekken. Daarbij verdient opmerking dat een bevel tot het geven van een toegangscode of tot andersoortige actieve medewerking in deze vordering niet aan de orde is; het gaat om een plicht te dulden dat de opsporingsambtenaren met behulp van de vingerafdruk van de verdachte zijn telefoon ontgrendelen. Die mate van dwang staat ver af van de gevallen die de Grote Kamer van het EHRM in het arrest in de zaak
Ibrahimnoemt waarin het EHRM ten aanzien van wilsonafhankelijk materiaal een schending van art. 6 EVRM Pro heeft aangenomen. Het met enige dwang gebruikmaken van de vingerafdruk van de verdachte ter ontgrendeling van de smartphone kan worden geschaard onder de overweging in het
Jalloh-arrest, inhoudende dat bij de verkrijging van het in
Saundersbedoelde wilsonafhankelijke materiaal van de verdachte normaliter slechts wordt gevraagd “to endure passively a minor interference with his physical integrity”. Daartoe strekt het ‘nemo tenetur’-beginsel zich niet uit.