Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
€ 373.331,56
3.Slotsom
4.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen op basis van een kasopstelling.
Het hof had het voordeel geschat op €177.015,36, gebaseerd op het verschil tussen contante uitgaven en legale inkomsten over de periode 2007-2012, waarbij contante betalingen en bezittingen zoals een Audi A4 werden betrokken. Dit bedrag werd als winst uit gewoontewitwassen aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof heeft niet duidelijk gemaakt of de schatting uitsluitend betrekking had op het bewezenverklaarde witwassen of ook op soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Tevens ontbrak een motivering of aan de toepassingsvoorwaarden van art. 36e.3 Sr (oud) was voldaan.
De Hoge Raad wijst er verder op dat het enkel feit dat het bedrag onderwerp was van witwassen niet betekent dat het automatisch wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Gezien deze tekortkomingen wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens ontoereikende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.