Conclusie
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Zonder nadere motivering is dit oordeel onbegrijpelijk vanwege hetgeen in de hoofdzaak bewezen is verklaard, terwijl daarnaast onbegrijpelijk is dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook de periode is betrokken die voorafgaat aan de bewezen verklaarde feiten, aldus de steller van het middel.
Uitgangspunten voor de berekening
Het hof gaat voor de schatting van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling d.d. 22 augustus 2012 (hierna: het rapport), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , en de daarbij behorende bijlagen, gevoegd achter het proces-verbaal d.d. 9 oktober 2012, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , alsmede de aanvullende processen-verbaal contante stortingen, gevoegd achter het proces verbaal d.d. 29 maart 2016, opgemaakt en ondertekend op 29 maart 2016 door [verbalisant] , en beschouwt als grondslag van de vordering voormelde feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld bij het hierboven genoemde onherroepelijke vonnis d.d. 31 juli 2012.
De kasopstelling
Het hof zal met het oog op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het rapport volgen, met dien verstande dat het hof - anders dan de rapporteur - zal uitgaan van een beginsaldo van € 8.168,04, zoals hierboven vermeld.
Vervolgprofijt
De rente op het in beslag genomen geld, waaronder ook moet worden verstaan de opbrengst van de vervreemding of van de zekerheidsstelling voor de in beslag genomen voorwerpen - het zogenaamde vervolgprofijt - dient de veroordeelde ook te worden ontnomen. In casu gaat het om de rente over het in beslag genomen geldbedrag (€ 61.240,-) en de rente over de opbrengst van de door Domeinen verkochte roerende zaken (€ 70.766,-). De hoogte van dit rentebedrag is tot 22 december 2014 berekend op € 13.421,01. De totale waarde van de in beslag genomen gelden en de daarover verkregen rente bedroeg op 22 december 2014: (€ 68.150,31 + € 77.321,05 =) € 145.471,36.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 323.790,21 + 14.512,05 = € 338.302,26.”
Onderzoeksperiode
Ten behoeve van het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen vermogen is gebruik gemaakt van financiële gegevens die op verschillende wijzen zijn verkregen. Een analyse van verdachte financiële ontvangsten en uitgaven wees uit dat in de jaren 2008, 2009 en 2010 een aantal opvallende transacties heeft plaatsgevonden. Gezien deze bevindingen is voor een onderzoeksperiode gekozen van 01-01-2008 tot en met 31-12-2010.
5.2.4.1. Opvallende contante uitgaven
5.2.4.2. Opvallende contante stortingen
Onderzoek naar de bankrekeningen van [betrokkene] wees vervolgens uit dat er in de periode 2008 - 2011 op verschillende momenten op twee van de genoemde rekeningen meerdere keren per jaar contant geld is gestort. Het volledige overzicht van welke stortingen er gedaan zijn en wanneer, staat hieronder weergegeven:
5.2.4.3. Resumé
5.2.5.2. Eindsaldo contant geld
Conclusie
Bankrekening [001]
beschouwt als grondslag van de vordering voormelde feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld bij het hierboven genoemde onherroepelijke vonnis d.d. 31 juli 2012.” [1]
doorgaans tot niets hebben geleid” en dat de betrokkene normaal “
500” kreeg en bij een ander transport “
het dubbele”, doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. Deze omstandigheden tonen in ieder geval aan dat ‘succesvolle’ transporten hebben plaatsgevonden, terwijl bovendien onduidelijk is wat het getal ‘500’ precies representeert. Mede in aanmerking genomen dat de betrokkene ook veroordeeld is voor de deelneming aan een criminele organisatie, waartoe niet vereist is dat de deelnemer zelf betrokken is geweest bij de strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie was gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald, [2] terwijl dienaangaande in het geheel geen verweer is gevoerd in hoger beroep, falen de betreffende klachten.
specifiekindividu is toegevallen, zulks door een analyse van de inkomende en uitgaande ‘cash flow’ die door hem gedurende die periode is gegenereerd. Een verdeling van het aldus vastgestelde voordeel tussen hem en derden strookt niet met de notie die aan deze schattingsmethode ten grondslag ligt. [4] Ook in zoverre faalt de klacht. [5]
feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld bij het […] onherroepelijke vonnis d.d. 31 juli 2012”. Deze feiten bestrijken de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 april 2011.
voorafgaandaan de dag van 1 mei 2009. In het bijzonder gaat het om de contante uitgaven ten behoeve van een Mercedes SLK 230 Kompressor (€ 14.900,00), een Kia Sorento (€ 31.600,00), een Volvo XC60 (€ 19.500,00) en de bankstortingen in 2008 en 2009 (respectievelijk € 61.000,00 en € 22.010,00). Het hof heeft dus voordeel in aanmerking genomen dat géén grondslag kan vinden in de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Op de tegenstrijdigheid tussen enerzijds de periode waarover de bewezenverklaring zich uitstrekt en anderzijds de periode waarop de kasopstelling betrekking heeft, wijst de steller van het middel terecht.
immers zowel bij de uitleg van de vordering als bij de vaststelling van de betalingsverplichting de reikwijdte van de vordering respectievelijk de betalingsverplichting[beperkte]
tot voordeel uit de bewezen verklaarde feiten,” en het hof “
niet duidelijk maakt[e]
of het daarbij het oog heeft gehad op art. 36e, tweede lid, Sr dan wel art. 36e, derde lid, Sr en of het is uitgegaan van de oude bepaling dan wel van de bepalingen zoals die luiden sedert de op 1 juli 2011 in werking getreden Wet van 31 maart 2011 (Stb. 2011, 171).” Die situatie is inderdaad vergelijkbaar met de thans voorliggende casus. Uw Raad oordeelde daarop:
Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof de ontnemingsmaatregel opgelegd ter zake van het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen "uit de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten". Die feiten bestrijken de periode van 15 december 2003 tot en met 13 december 2004. Gelet op deze periode die het Hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt heeft genomen en op de door het Hof blijkens zijn overwegingen gebezigde berekeningsmethode, is zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het gebruik van de Audi S8 en uit het doen van kasstortingen in de periode vóór 15 december 2003, te weten van juli 2002 tot laatstgenoemde datum, niet begrijpelijk.” [7]
periode die het Hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt heeft genomen en (..) de door het Hof blijkens zijn overwegingen gebezigde berekeningsmethode”, knopen aan bij de bewoordingen van een oudere uitspraak, te weten HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1309, waarnaar ook mijn ambtgenoot in zijn conclusie al verwees.
in de bewijsvoering[lag]
besloten dat het hof heeft aangenomen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene in zoverre ook voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, (oud) Sr”.
Anders dan in de eerder genoemde zaak[HR 25 maart 2014, D.A.]
, waarin was uitgegaan van een abstracte schadeberekening, [8] , [9] leent het arrest in de onderhavige zaak zich wel voor een verbeterde lezing, in zoverre dat kan worden aangenomen dat het hof abusievelijk heeft overwogen dat de “veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten” in plaats van dat de veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen en soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan, financieel voordeel heeft genoten. Met een op deze wijze verbeterde lezing komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.”
de door het hof gebezigde berekeningsmethode” (hetzij abstract, hetzij concreet) doorslaggevend is voor de vraag of er ruimte is voor verbeterde lezing van een ontnemingsuitspraak, is dit samenstel van kenbronnen van recht bepaald verwarrend. Juist is dat de ontnemingsrechter in de zaak die uitmondde in HR 22 januari 2008 (géén verbeterde lezing) ter schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel toepassing gaf aan een abstracte berekeningsmethode, namelijk de ‘eenvoudige kasopstelling’, terwijl de ontnemingsrechter in de casus van HR 13 september 2016 (wél verbeterde lezing) inderdaad gebruikmaakte van een concrete berekeningsmethode, namelijk de som van transactiewinsten. De ‘eenvoudige kasopstelling’ betreft een – zoals dat heet – ‘abstracte’ wijze van berekening van voordeel dat over een bepaalde periode wederrechtelijk is verkregen omdat in die berekening geen rechtstreekse relatie wordt gelegd met concrete delicten. [11] Aan de voet van een kasopstelling liggen doorgaans – ongespecificeerd – ‘soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd’, als bedoeld in (voor zover thans relevant) art. 36e, tweede lid (oud), Sr, c.q. ‘andere strafbare feiten’, als bedoeld in art. 36e, derde lid (oud), Sr. [12]
dat de veroordeelde deze kasstortingen heeft ontvangen als vergoeding voor bewezen diensten aan GMT.” Een en ander betreft over de hele linie een concrete (en dus geen abstracte) wijze van berekening van voordeel, namelijk in alle gevallen de rechtstreekse vaststelling van de omvang van opbrengsten die over een bepaalde periode voortvloeiden uit zijn deelneming (en leidinggeven) aan een criminele organisatie. Kortom, het is voor mij nog steeds een open vraag waarnaar de Hoge Raad nou precies bedoelt te verwijzen met de woorden “
de door het hof gebezigde berekeningsmethode”.
kunnenstoelen op (voor zover in deze zaak relevant) ‘soortgelijke feiten’, ‘vijfde-categorie-feiten’ of ‘andere feiten’. De vraag naar de ruimte voor verbeterde lezing moet m.i. worden geplaatst in de sleutel van de vraag of in de bewijsvoering en in de door het hof uitgevoerde berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel reeds ligt besloten (1) dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan, c.q. (2) (indien de voorwaarden daarvoor zijn vervuld) dat aannemelijk is dat ook andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvoor is dus
nietonder alle omstandigheden noodzakelijk dat het hof in de bestreden uitspraak uitdrukkelijk heeft verwezen naar de (indertijd) toepasselijke wetsbepalingen of überhaupt melding heeft gemaakt van de hiervoor bedoelde categorieën van feiten waarvan het daardoor verkregen voordeel kan worden ontnomen.
een aantal opvallende transacties” dat “
heeft plaatsgevonden” “
in de jaren 2008, 2009 en 2010”. Dat is m.i. ontoereikend voor een verbeterde lezing van de bestreden uitspraak.
tweede middel, dat klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden, kan onbesproken blijven gelet op het slagen van het eerste middel. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld. [15]