Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd persoonlijk betekend met de dagvaarding om op 27 mei 2015 te verschijnen voor de politierechter. Het hoger beroep had binnen veertien dagen na deze datum ingesteld moeten worden. De verdachte stelde het hoger beroep echter pas op 8 december 2015 in, ruim na de termijn.
De verdediging voerde aan dat het verzuim te wijten was aan het feit dat de raadsvrouw van de verdachte niet tijdig een afschrift van de dagvaarding had ontvangen, in strijd met artikel 51 (oud) Sv, nu artikel 48 Sv Pro dit voorschrijft. Het hof oordeelde echter dat dit verzuim niet tot een ander oordeel leidt, omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep begint te lopen vanaf de persoonlijke betekening aan de verdachte zelf.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had niet onjuist geoordeeld door de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren wegens het te laat instellen van het hoger beroep. Daarmee blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens te late indiening na persoonlijke betekening dagvaarding.