Belanghebbende deed op 17 december 2013 aangifte inkomstenbelasting over 2012, waarna de Inspecteur op 21 februari 2014 een voorlopige aanslag vaststelde. Belanghebbende maakte bezwaar bij brief van 7 maart 2014, ontvangen op 10 maart 2014. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat deze brief als een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag gold en beperkte de belastingrente tot 14 weken na de datum van verzending van het verzoek.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof ten onrechte de datum van verzending als maatstaf nam in plaats van de datum van ontvangst, zoals voorgeschreven in artikel 30fb, lid 4, AWR. Omdat de Inspecteur niet had gesteld dat het verzoek op een andere wijze had moeten worden gedaan, kon de brief van 7 maart 2014 als een geldig verzoek worden aangemerkt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en beperkte de belastingrente tot een periode tot en met 16 juni 2014, 14 weken na ontvangst van het verzoek op 10 maart 2014. Het principale beroep werd ongegrond verklaard, het incidentele beroep gegrond, en de proceskosten werden niet toegewezen.