Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
tweedemiddel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde onder 2, 3, 4, 6, 7 en 9 onjuist heeft gekwalificeerd.
welke behuizing (stal)scherpe randen en uitsteeksels bevatte, waaraan die runderen en die kalveren zich konden verwonden, immers bevonden zich in die stal hekken en andere obstakels met scherpe randen en uitsteeksels en lagen er lege emmers en delen van metalen hekwerken en was in die stal een plank aanwezig met uitstekende schroeven;
immers bevatte dit hokscherpe randen en uitsteeksels, waaraan die runderen en kalveren zich konden verwonden
enstonden in dat hok een of meer hekken erg schuin waardoor die dieren zich konden verstappen tussen de spijlen van die hekken en zich konden verwonden aan die hekken;
immers bevatte dezebehuizing scherpe randen en uitsteeksels waaraan die runderen zich konden verwonden
enzat in één van de wanden van die behuizing een gat dat zodanig groot was dat de dieren elkaar in dat gat zouden kunnen drukken en had één van die wanden een gat waar de rand van het wandmateriaal omgebogen was en een scherpe rand vormde;’
overtreding:
(vernummerd tot tiende lid, BFK). Overtreding van die regels, of hiermee nu een welzijns- of een gezondheidsbelang wordt geschaad, wordt een economisch delict als bedoeld in artikel 1, onderdeel 2°, van de WED.
vernummerd tot artikel 8.11, BFK)). Hierop is het commune strafrecht en strafprocesrecht, neergelegd in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering, van toepassing.’ [6]
NJ2008/357 m.nt. Mevis, waarin Uw Raad in verband met de tenlastelegging van een economisch delict overwoog: ‘Nu in de oorspronkelijke tenlastelegging het woord "opzettelijk" of een soortgelijke term niet voorkomt, kan zij evenwel, gelet op de hiervoor genoemde bepalingen, slechts in die zin worden verstaan dat daarin uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde gedragingen zijn ten laste gelegd’. [9] Om dezelfde reden zou het niet toegelaten zijn aan te nemen dat in een tenlastelegging het handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ besloten ligt als dit een strafverzwarende omstandigheid betreft. [10] In het onderhavige geval volgt evenwel duidelijk uit de inrichting van de tenlastelegging onder 2, 3, 4, 6, 7 en 9 dat deze het oog heeft op economische delicten. Zo is in de tenlastelegging bij elk van deze feiten de passage ‘al dan niet opzettelijk’ opgenomen. Bij een veroordeling wegens in art. 8.11, tweede lid, jo. art. 8.12, vierde lid, Wet dieren strafbaar gestelde feiten is opzet niet van belang. Ik wijs er voorts op dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard voor de economische kamer van de Rechtbank Noord-Holland, en dat de bij de onderhavige feiten in de tenlastelegging genoemde wetsartikelen duidelijk maken dat is gedoeld op economische delicten. [11]
NJ2014/253 m.nt. Reijntjes was ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat ‘hij op 22 april 2009 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit één geldautomaat weg te nemen geldbedragen, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of ABN Amro, en dat weg te nemen geld onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten ontvreemde bankpassen ABN Amro privépas met rekeningnummer [0001] en zakelijke pas met rekeningnummer [0002] op naam van [betrokkene 3].’ In cassatie werd, in de bewoordingen van A-G Knigge, geklaagd dat het bewezenverklaarde ‘niet het feitelijk handelen beschrijft waaruit de poging tot het wegnemen van geld zou hebben bestaan’. Uw Raad overwoog:
NJ2014/253 m.nt. Reijntjes, vond dat verdachte bij de klacht onvoldoende belang had ‘nu aannemelijk is dat na vernietiging en verwijzing of terugwijzing de tenlastelegging zal worden gewijzigd, zodat de verdachte met die vernietiging niets opschiet.’ Dat is in dit geval niet anders.
derdemiddel klaagt, mede gelet op de toelichting daarop, over de motivering van de bewezenverklaring van feit 5, in het bijzonder in zoverre deze inhoudt dat verdachte ‘opzettelijk als houder (…) een onvolledig register heeft bijgehouden’.
NJ2009/210. Daarin was bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk niet binnen een nader omschreven periode aan het bevoegd gezag had gemeld dat hij een inrichting in werking had. Geklaagd werd over de motivering van de bewezenverklaring van het opzet. Uw Raad overwoog dat ‘in een geval als het onderhavige niet vereist is dat het opzet ook is gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke verplichting’. [24]