Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 juni 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de oproeping van de klager voor de raadkamerbehandeling van een klaagschrift ex art. 552a Sv op behoorlijke wijze had plaatsgevonden. De klager had bezwaar gemaakt tegen de wijze van oproeping, stellende dat deze niet naar zijn GBA-adres was verzonden, wat volgens hem een vereiste zou zijn.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat noch uit art. 23 Sv Pro noch uit art. 552a Sv volgt dat de oproeping aan de klager moet worden betekend op het GBA-adres. Indien de klager een ander postadres heeft opgegeven, kan volstaan worden met toezending van de oproeping aan dat adres. In deze zaak was de oproeping verzonden naar het door de klager opgegeven postadres en tevens was een afschrift aan de raadsman van de klager gezonden.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de klager en bevestigde daarmee dat de oproeping op juiste wijze had plaatsgevonden. Deze beslissing sluit aan bij eerdere jurisprudentie, waaronder ECLI:NL:HR:2015:2879. Het middel tot cassatie werd niet ontvankelijk verklaard omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
Uitkomst: Het beroep van klager in cassatie wordt verworpen; oproeping was rechtsgeldig.