ECLI:NL:PHR:2018:376
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid oproeping voor raadkamerbehandeling klaagschrift inzake beslag
De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het klaagschrift van klager tot teruggave van vier inbeslaggenomen auto’s en een geldbedrag van €5350,- ongegrond verklaarde. Klager stelde dat hij niet behoorlijk was opgeroepen voor de raadkamerbehandeling van 22 december 2015, omdat de oproeping naar het adres van zijn raadsman was gestuurd en niet naar zijn adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).
De Hoge Raad overweegt dat voor oproeping van belanghebbenden in een raadkamerprocedure op grond van artikel 23 lid 2 Sv Pro en artikel 552a Sv geen betekening vereist is, maar dat toezending van de oproeping per gewone of aangetekende brief volstaat. De wetgever heeft geen extra waarborg van betekening voorgeschreven voor oproepingen in deze procedure, omdat de klager reeds op de hoogte is van het dwangmiddel waartegen hij klaagt.
Verder is vastgesteld dat klager expliciet het kantooradres van zijn raadsman als correspondentieadres heeft opgegeven en dat de oproeping correct naar dat adres is verzonden. Het is de verantwoordelijkheid van klager om wijzigingen in correspondentieadres aan de griffie door te geven. De Hoge Raad concludeert dat de oproeping dus behoorlijk is geschied en verwerpt het cassatieberoep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat klager en zijn raadsman behoorlijk zijn opgeroepen voor de raadkamerbehandeling.