De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 32ba, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964, waarin de vraag centraal stond of een sociaal plan met een vrijwilligersregeling (Regeling) kwalificeert als een regeling voor vervroegde uittreding (RVU). Belanghebbende had verzocht om bevestiging dat de beëindigingsvergoedingen op grond van het sociaal plan niet als RVU moeten worden aangemerkt, hetgeen door de Inspecteur werd afgewezen.
Het Hof oordeelde dat de Regeling geen RVU is omdat de uitkeringen niet bedoeld zijn ter overbrugging tot de pensioendatum en geen verband houden met de leeftijd van de werknemer. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat bij de beoordeling van een RVU uitsluitend moet worden gekeken naar de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling, niet naar de feitelijke uitstroom van werknemers of de hoogte van de vergoedingen.
Het incidentele beroep van belanghebbende, gericht op het ontbreken van wettelijke basis voor de leeftijdsgrens in het sociaal plan, wordt verworpen omdat het principale beroep faalt. De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelt hem in de proceskosten.