Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
.Voorts stelt de Inspecteur dat het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 8 december 2005, DGB 2005/6722M (hierna: het kwalitatieve besluit) niet van toepassing is, nu vanwege de Regeling niet vooraf aan de hand van objectieve criteria kan worden vastgesteld of het collectieve ontslag al dan niet leeftijdsafhankelijk is. Om die reden had de Rechtbank dienen te oordelen dat de Inspecteur geen beschikking kon afgeven.
3.Het geding in cassatie
Principaal beroep in cassatie (Staatssecretaris)
4.Arbeidsrechtelijk kader van het Sociaal Plan
Afspiegelingsbeginsel en kantonrechtersformule
Stel de bedrijfsvestiging vast.
Stel het personeelsbestand vast op basis van het volledige overzicht van alle werknemers die op de peildatum bij de werkgever in dienst zijn én werkzaam zijn in of vanuit de bedrijfsvestiging waar de ontslagen vallen.
. Stel de categorie uitwisselbare functies vast waarbinnen ontslagen vallen.
Stel vast hoeveel werknemers werkzaam zijn in deze categorie uitwisselbare functies.
Stel vast in welke leeftijdsgroep deze werknemers zitten.
Stel vast met hoeveel werknemers de categorie uitwisselbare functies moet inkrimpen.
Deel het aantal werknemers binnen de leeftijdsgroep door het totaal aantal werknemers werkzaam in deze categorie uitwisselbare functies en vermenigvuldig de uitkomst met het aantal werknemers waarmee de categorie uitwisselbare functies moet inkrimpen. Herhaaldeze berekening voor elke leeftijdsgroep.
5.Regeling voor vervroegde uittreding
Wet en parlementaire behandeling
VUT-definitie. De regeling wordt dan voor de fiscale behandeling gesplitst: deels een VUT-regeling en deels een andere regeling.
nietkwalificeert als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba Wet LB.
.
50-plussers. Het gaat derhalve om de algemene kenmerken van de (generieke) regeling.
BNB2016/169 over de subjectieve overwegingen van werknemer om gebruik te maken van de vrijwilligers- en plaatsvervangersregeling opgemerkt: [48]
‘VUT-regelingen’).
6.Vertrekregeling Belastingdienst
Beschouwing en beoordeling van het middel in het principale beroep in cassatie (Staatssecretaris)
i) dat de Inspecteur ten onrechte niet bij beschikking heeft vastgesteld dat het Sociaal Plan geen regeling voor vervroegde uittreding vormt en ii) dat het Sociaal Plan geen regeling voor vervroegde uittreding vormt. [67]
BNB2012/310 [71] en HR
BNB2016/169 [72] geoordeeld dat de beweegredenen van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden niet ter zake doen. Het gaat erom of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum.
BNB2016/169 heb ik betoogd dat artikel 32ba, lid 6, Wet LB een geobjectiveerde toetsing aan de waarneembare eigenschappen van de regeling impliceert. Het gaat om de vraag of de ontslagvergoeding voldoet aan de definitie van artikel 32ba, lid 6, wet LB. Daarbij schreef ik: “Een inhoudingsplichtige heeft naar het mij voorkomt heel andere subjectieve doelen met een dergelijke regeling dan het voorzien in ‘uitkeringen of verstrekkingen (…)’. Bijvoorbeeld het laten afvloeien van minder goed functionerend en/of duur personeel, het nakomen van de arbeidsovereenkomst, verjeugdiging van het personeelsbestand of reorganisatie.” [73]
8 personen [99] ouder dan 55 jaar gebruik hebben gemaakt van de vrijwillige vertrekregeling, zou voor de volledige groep oudere werknemers, in totaal 115 personen [100] , een heffing op grond van artikel 32ba, lid 6, Wet LB verschuldigd zijn.