Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring en motivering oplegging ISD-maatregel
3.Het middel
het eerste van de beide diefstallen begaan is [onderstreping AG TS].En de ISD-maatregel was op dat moment volledig tenuitvoergelegd.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam dat een ISD-maatregel oplegde aan verdachte wegens twee diefstallen gepleegd in 2020 en 2021. De rechtbank en het hof stelden vast dat verdachte voldeed aan de wettelijke criteria voor oplegging van de ISD-maatregel, waaronder het vereiste van ten minste drie onherroepelijke veroordelingen in de voorafgaande vijf jaar die volledig ten uitvoer zijn gelegd.
De verdediging voerde aan dat voor één van de drie veroordelingen, een taakstraf, niet blijkt uit de Justitiële Documentatie dat deze taakstraf volledig is uitgevoerd, omdat de einddatum van de executie ontbreekt. De Hoge Raad acht deze klacht terecht en vernietigt de oplegging van de ISD-maatregel voor de diefstal gepleegd op 4 maart 2021 (zaak B). Voor de diefstal van 20 december 2020 (zaak A) is echter wel voldaan aan de voorwaarden, mede omdat een andere veroordeling binnen vijf jaar volledig ten uitvoer is gelegd.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de strafoplegging voor de tweede diefstal dient te worden vernietigd en dat de Hoge Raad een passende beslissing op grond van art. 440 Sv Pro zal nemen. De zaak wordt niet terugverwezen omdat het hof voldoende gemotiveerd heeft dat de ISD-maatregel voor de eerste diefstal terecht is opgelegd en de verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie voor de tweede diefstal.
Uitkomst: De ISD-maatregel wordt vernietigd voor de tweede diefstal wegens onvoldoende motivering, maar gehandhaafd voor de eerste diefstal.